Paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing

1. Inleiding

De paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing gaat in op de vraag in welke mate de financiële positie van de provincie toereikend is om de financiële gevolgen van risico’s die de provincie loopt op te kunnen vangen. Tweemaal per jaar (bij begroting en jaarrekening) wordt de paragraaf geactualiseerd.

De paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing is als volgt opgebouwd:

  • relevante beleidskaders (ad 2);

  • samenvattend beeld (ad 3);

  • overzicht van relevante risico’s (ad 4).

2. Relevante beleidskaders

De relevante beleidskaders voor deze begrotingsparagraaf zijn gebaseerd op het Besluit Begroten en Verantwoorden provincies en gemeenten (BBV), dat door het Rijk is vastgesteld en begrotingsrichtlijnen bevat voor decentrale overheden. Het BBV schrijft onder meer voor dat de begroting en jaarrekening een paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bevat waarin wordt ingegaan op:

- de risico's die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie (inclusief de maatregelen die getroffen worden om deze risico's te beheersen);

- de weerstandscapaciteit, dat wil zeggen de middelen die de provincie beschikbaar heeft of kan maken om financiële gevolgen van niet-begrote lasten (zoals risico's) op te kunnen vangen;

- het weerstandsvermogen (het kengetal dat weergeeft in welke mate de provincie in staat is om de financiële gevolgen van risico's op te kunnen vangen).

De voorschriften uit het BBV zijn door de provincie nader uitgewerkt in de Financiële verordening en de Beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement (beide door Provinciale Staten vastgesteld). De Financiële verordening bepaalt onder meer dat Provinciale Staten eenmaal in de vier jaar de Beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement vaststellen (die ten minste uitgangspunten bevat met betrekking tot het risicomanagement, het opvangen van risico’s en het bepalen van het gewenste weerstandsvermogen).

De Beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement bevat een aantal concrete bepalingen over:

  • de methodiek van risicoanalyse;

  • de samenstelling van de structurele en incidentele weerstandscapaciteit en de wijze waarop hier een beroep kan worden gedaan;

  • een minimale omvang van de algemene reserve van € 30,0 mln;

  • de wijze waarop het weerstandsvermogen wordt bepaald;

  • de streefwaarde voor het weerstandsvermogen (de provincie Zuid-Holland streeft naar een weerstandsvermogen van '2', dat wil zeggen dat voor elke euro aan risico's minimaal € 2 aan weerstandscapaciteit beschikbaar dient te zijn).

3. Samenvattend beeld

Structurele weerstandscapaciteit

De structurele weerstandscapaciteit is bedoeld voor het opvangen van de structurele, financiële gevolgen van risico's. De structurele weerstandscapaciteit bestaat uit de post onvoorzien op de begroting, de post financiële ruimte op de begroting en de onbenutte belastingcapaciteit.

Structurele weerstandscapaciteit

(bedragen x € 1 mln)

2015

2016

2017

2018

gemiddeld

Post onvoorzien

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

Financiële ruimte 2015-2018

0,0

19,3

30,4

33,8

20,8

Onbenutte belastingcapaciteit

55,0

60,0

65,0

70,0

62,5

Totaal

55,5

79,8

95,9

104,3

83,8

De financiële omvang van de structurele risico's wordt geschat op € 20,8 mln. Per jaar is hiervoor een bedrag van circa € 83,8 mln beschikbaar als weerstandscapaciteit. Het weerstandsvermogen voor structurele risico's bedraagt daarmee '4'. Dat betekent dat voor elke euro aan risico's een bedrag van vier euro beschikbaar is als weerstandscapaciteit. Dat is meer dan de streefwaarde van '2'.

De structurele weerstandscapaciteit steunt op langere termijn vrijwel volledig op de onbenutte belastingcapaciteit.

Dit is het surplus aan inkomsten dat de provincie zou ontvangen als het door het Rijk gehanteerde maximumtarief voor de heffing van opcenten op de Motorrijtuigenbelasting gehanteerd zou worden door de provincie.

De financiële ruimte zal op langere termijn volledig nodig zijn voor dekking van kapitaal- en beheerlasten van infrastructuur en groen.

Incidentele weerstandscapaciteit

De incidentele weerstandscapaciteit is bedoeld voor het opvangen van incidentele, financiële gevolgen van risico's. De incidentele weerstandscapaciteit bestaat uit de algemene reserve van de provincie en de programmareserves (voor zover deze niet juridisch beklemd zijn).

In onderstaande tabel zijn de bedragen opgenomen exclusief juridische verplichtingen.

Incidentele weerstandscapaciteit

(bedragen x € 1mln)

2015*

Algemene reserve

69,5

Programmareserves

285,9

Totaal

355,4

* Dit betreft de stand van de reserves per 1-1-2015 (exclusief de juridisch beklemde bedragen).

De financiële omvang van de incidentele risico's wordt geschat op € 19,3 mln. In de reserves is hiervoor een bedrag van € 355,9 mln beschikbaar c.q. beschikbaar te maken. Hiervoor is een bedrag van € 355,4 mln beschikbaar c.q. beschikbaar te maken als weerstandscapaciteit. Het weerstandsvermogen voor incidentele risico’s bedraagt daarmee '17,9'. Dat betekent dat voor elke euro aan incidenteel risico circa € 18 beschikbaar is als weerstandscapaciteit. Dat is ruim meer dan de streefwaarde van '2'. Opgemerkt dient te worden dat de incidentele weerstandscapaciteit grotendeels steunt op de programmareserves, die grotendeels bestuurlijk beklemd zijn (dat wil zeggen dat over de aanwending van deze middelen bestuurlijke afspraken zijn gemaakt). Deze middelen kunnen dus niet worden ingezet zonder bestuurlijke keuzes te maken. Verder geldt dat van de algemene reserve een bedrag van minimaal € 30,0 mln beschikbaar dient te blijven als buffer voor het opvangen van risico’s.

4. Overzicht risico's

Hieronder is het overzicht opgenomen van de risico's die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie. Per risico wordt het volgende aangegeven:

  • of het een structureel of incidenteel financieel effect heeft;
  • de maximale financiële impact of schade als het risico zich voordoet;
  • de kans dat het risico zich daadwerkelijk voordoet;
  • netto financieel effect (berekend door de financiële impact te vermenigvuldigen met de kans van optreden);
  • termijn waarop het risico zich voordoet (binnen een jaar of over meer dan een jaar);
  • het begrotingsdoel waar het risico betrekking op heeft.

Ten opzichte van de vorige inventarisatie (Jaarrekening 2013) zijn de volgende, nieuwe risico's toegevoegd:

  • ontwikkeling loonkosten;
  • regeling IndividueelKeuzeBudget (IKB).

Het in de Jaarrekening 2013 nog opgenomen risico 'onvoldoende solvabiliteit/liquiditeit regionale omroepen' is vervallen. De reden hiervan is dat het restbedrag van de lening nog € 0,5 mln bedraagt en daarmee onder de grens (€ 1,0 mln) is gekomen die wordt gehanteerd voor opname van risico’s in de onderhavige paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing.

Tabel 1: informatie over risico’s (bedragen x € 1 mln)

Klik op het risico voor de toelichting.

 

s/i

impact

kans

netto effect (s)

netto effect (i)

termijn

doel

1.

Lagere uitkering Provinciefonds

s

> 20,0

25-50%

7,5

 

>1

6.1

2.

Lagere opbrengsten MRB

s

5,0

25-50%

1,9

 

<1

6.2

3.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

s

 

10,0

0-25%

1,3

 

<1

2.4

4.

Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

i

17,0

0-25%

 

2,1

>1

5.2

5.

- financiële risico's EHS

- financiële risico's recreatiegebieden

s

s

3,5

PM

50-75%

PM

2,0

PM

 

>1

>1

1.4

1.3

6.

Afvalverwerkende en BRZO/IPPC-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

s

15,0

0-25%

1,9

 

<1

 

2.4

7.

Garantstelling personenvervoer over water

i

6,7

0-25%

 

0,8

>1

2.3

8.

Risico deelname GR Midden-Delfland

s

15,0

0-25%

1,9

 

<1

1.3

9.

Deelname Ontwikkelingsmaatschappij Nieuw Westland

i

1,4

75-100%

 

1,2

<1

3.4

10.

Betwisten subsidiabiliteit EU-subsidies:

  • lopende projecten

  • inmiddels afgeronde projecten

 

i

i

 

10,1

14,8

 

0-25%

≈ 0

 

 

 

1,3

0,0

 

>1

<1

 

3.4

3.4

11.

Niet tot uitvoering komende infrastructurele projecten

i

11,1

0-25%

 

1,4

<1

2.2

12.

Renterisico

s

2,0

25-50%

0,8

 

>1

1-6

13.

Omgevingsrisico’s vergunningverlening en handhaving

s

5,0

0-25%

0,6

 

<1

2.4

14.

Maatregelen Rijk EMU-saldo

i

100,0

0-25%

 

12,5

>1

6.1

15.

Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties (nog niet overgedragen stortplaatsen)

i

18,5

≈ 0

 

0,0

>1

3.3

16.

Meerkosten PMR 750 ha

i

15,3

≈ 0

 

0,0

<1

1.3

17.

Deelname risico ROM-D Capital BV

i

10,0

≈ 0

 

0,0

>1

3.4

18.

Deelname risico InnovationQuarter

i

10,0

≈ 0

 

0,0

>1

3.4

19.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

i

4,4

≈ 0

 

0,0

>1

6.1

20.

Ontwikkeling bezuiniging regionale omroepen

i

2,0

≈ 0

 

0,0

<1

4.6

21.

Herinrichting Meeslouwerplas

i

7,2

n.t.b.

 

PM

<1

1.2

22.

Noodzakelijk beroep aansprakelijkheidsverzekering

i

1,9

n.t.b.

 

PM

<1

1.6

23.

Afschaffen forfaitaire index BDU

s

n.t.b.

75-100%

PM

 

>1

2.3

24.

Derde Merwedehaven

i

n.b

0-25%

 

PM

>1

2.4

25.

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

i

n.b.

0-25%

 

PM

<1

1-6

26.

Doorlevering gronden TBO’s

i

n.t.b.

n.t.b.

 

PM

>1

1.3

27.

Meerkosten als gevolg van bezwijken oeverconstructies aan provinciale vaarwegen

s

n.t.b.

n.t.b.

PM

 

<1

2.1

28.

Ontwikkeling loonkosten (stijging werkgeverslasten en CAO)

s

3,3

75-100%

2,9

 

< 1

1-5

29.

Risico's regeling IndividueelKeuzeBudget (IKB)

s

1,4

n.t.b.

PM

 

< 1

1-5

 

Totaal structurele risico’s

 

 

 

20,8

 

 

 

 

Totaal incidentele risico’s

 

 

 

 

19,3

 

 

Er zijn geen bijstellingen opgenomen voor dit onderwerp in de Voorjaarsnota 2015.

Er zijn geen bijstellingen opgenomen voor dit onderwerp in de Najaarsnota 2015.

1. Inleiding

In de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing gaat het om de vraag in welke mate de financiële positie van de provincie toereikend is om de financiële gevolgen van risico's op te kunnen vangen. Hierbij gaat het om risico's die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie (zoals bijvoorbeeld een korting op het Provinciefonds).

De financiële omvang van deze risico's worden afgezet tegen de zogenaamde weerstandscapaciteit. Dat zijn de middelen die de provincie beschikbaar heeft of kan maken om zo nodig de financiële gevolgen van risico's op te vangen (zoals bijvoorbeeld de algemene reserve).

Deze paragraaf geeft aanvullend op de informatie over risico's en weerstandscapaciteit informatie over de stand van een vijftal financiële kengetallen, die eveneens inzicht bieden in de financiële positie van de provincie.

Met ingang van de Begroting 2016 en Jaarrekening 2015 dienen decentrale overheden deze op te nemen in hun paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing. Het Rijk heeft hiertoe het BBV gewijzigd.

Het gaat om de volgende vijf kengetallen: netto schuld quote, solvabiliteitsratio, kengetal grondexploitatie, opcententarief / landelijke gemiddelde.

Leeswijzer

De paragraaf is als volgt opgebouwd:

  • Overzicht van de beleidskaders die relevant zijn voor de paragraaf

  • Samenvattend beeld van risico's, weerstandscapaciteit en financiële kengetallen

  • Overzicht van risico's

2. Relevante beleidskaders

Kaders voor de paragraaf zijn afkomstig uit:

  • Het Besluit Begroten en Verantwoorden (BBV): dit zijn regels vanuit het Rijk voor decentrale overheden;

  • De Financiële verordening (eigen beleid, door PS vastgesteld);

  • De beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement (idem).

BBV

Het BBV omschrijft het weerstandsvermogen als “de relatie tussen de weerstandscapaciteit […] en alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie”. De paragraaf moet deel uitmaken van zowel de begroting als de jaarrekening en tenminste informatie bevatten over de weerstandscapaciteit, relevante risico's en het beleid omtrent weerstandscapaciteit en risico's.

Financiële verordening / beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement

De Financiële verordening schrijft voor dat Provinciale Staten tenminste eenmaal in de vier jaar beleid vaststellen omtrent weerstandsvermogen en risicomanagement. De huidige beleidsnota is in 2012 door Provinciale Staten vastgesteld en dient dus in 2016 te worden herzien.

De beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement bevat onder andere beleidsregels inzake:

  • Het gebruik van een standaard methodiek voor identificatie en beheersing van risico's;

  • De samenstelling van de weerstandscapaciteit;

  • De wijze waarop een beroep kan worden gedaan op de weerstandscapaciteit (alvorens een beroep kan worden gedaan op algemene middelen, dient eerst binnen het betreffende doel / programma een oplossing te worden gezocht); risico's die niet (tijdig en volledig) waren aangemeld voor de paragraaf dienen per definitie binnen het betreffende doel / programma te worden opgelost;

  • Een streefwaarde voor de omvang van het weerstandsvermogen (≥ 2).

3. Samenvattend beeld

Het provinciale beleid maakt een onderscheid tussen structurele en incidentele weerstandscapaciteit:

  • Structurele weerstandscapaciteit is bedoeld om structurele, financiële gevolgen op te vangen van eenmalige gebeurtenissen (bijvoorbeeld een korting op het Provinciefonds) en van gebeurtenissen die incidentele, financiële gevolgen hebben maar zich wel jaarlijks kunnen voordoen;

  • Incidentele weerstandscapaciteit is bedoeld om de incidentele, financiële gevolgen op te vangen van eenmalige gebeurtenissen (bijvoorbeeld risico van afwaardering aandelenkapitaal).

Structurele weerstandscapaciteit

De structurele weerstandscapaciteit bestaat uit:

  • De post onvoorzien binnen programma Middelen;

  • Het structurele deel van het begrotingssaldo;

  • De onbenutte belastingcapaciteit.

In onderstaande tabel staat de omvang van de structurele weerstandscapaciteit weergegeven (stand Begroting 2016).

Structurele weerstandscapaciteit

(bedragen x € 1 mln)

Bedrag

Post onvoorzien 1)

0,5

Begrotingssaldo 2)

0,0

Onbenutte belastingcapaciteit 3)

65,3

Totaal

65,8

1) Dit is een structurele post in programma middelen om onvoorziene ontwikkelingen op te kunnen vangen;

2) Hiervoor is het gemiddelde begrotingssaldo in de jaren 2016-2019 genomen (stand Begroting 2016);

3) De onbenutte belastingcapaciteit is het verschil tussen de inkomsten uit de opcenten MRB bij het door PS vastgestelde opcententarief (92 opcenten) en de inkomsten zoals die zouden zijn als het wettelijk maximaal toegestane tarief zou worden geheven (110,6 opcenten in 2016). Het wettelijk maximum wordt jaarlijks (vermeerderd met de ontwikkeling van de inflatie) vastgesteld door het Rijk.

Er is een bedrag van € 65,8 mln beschikbaar aan structurele weerstandscapaciteit. Deze bestaat hoofdzakelijk uit de onbenutte belastingcapaciteit. De omvang van de structurele risico's is € 22,3 mln.

De structurele weerstandscapaciteit is dus ruim voldoende om deze financiële gevolgen op te vangen. Tegenover elke euro aan structurele risico's staat dus circa 3 euro aan structurele weerstandscapaciteit.

Incidentele weerstandscapaciteit

De incidentele weerstandscapaciteit bestaat uit:

  • De algemene reserve

  • De programmareserves (voor zover juridisch niet beklemd)

In onderstaande tabel staat de omvang van de incidentele weerstandscapaciteit weergegeven stand Jaarrekening 2015.

Incidentele weerstandscapaciteit

(bedragen x € 1 mln)

Totaalstand

minus juridisch verplicht

Algemene reserve (buffer weerstandscapaciteit) 1)

84,9

Programmareserves (niet juridisch beklemd) 2)

338,7

Totaal

423,6

Er is een bedrag van € 423,6 beschikbaar aan incidentele weerstandscapaciteit (dit bestaat hoofdzakelijk uit het juridisch niet-verplichte deel van de programmareserves). De incidentele, financiële gevolgen van risico's bedragen € 33,5 mln (zie overzicht risico's). De incidentele weerstandscapaciteit is dus ruim voldoende om de incidentele, financiële gevolgen van risico's op te vangen. Tegenover elke euro aan incidentele risico's staat een bedrag van bijna 13 euro aan incidentele weerstandscapaciteit.

Financiële kengetallen

Met ingang van de Begroting 2016 nemen decentrale overheden op grond van het BBV in hun paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing een zestal financiële kengetallen op. De stand van zaken van deze kengetallen geven tezamen met het weerstandsvermogen inzicht in de financiële positie.

Het gaat om de volgende financiële kengetallen:

  • netto schuldquote

  • netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

  • solvabiliteitsratio

  • grondexploitatie

  • structurele exploitatieruimte

  • belastingcapaciteit

Het BBV bevat geen normen voor deze kengetallen. De wijze waarop deze kengetallen meewegen in de beoordeling van de financiële positie is een zaak van PS en maakt dus geen onderdeel uit van het toezicht door het ministerie van Binnenlandse Zaken.

In onderstaande tabel zijn de uitkomsten van de zes kengetallen opgenomen:

 

Jaarrekening 2014

Begroting 2015

Jaarrekening 2015

Netto schuldquote

56,0%

78,7%

61,8%

Netto schulquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

55,9%

78,7%

61,3%

Solvabiliteitsratio

27,5%

26,0%

33,4%

Grondexploitatie

10,8 %

13,2 %

0,3%

Structurele exploitatieruimte

13,5 %

10,9%

16,2%

Belastingcapaciteit (tarief PZH t.o.v. gemiddelde)

117,9%

116,9%

116,9%

Zie regeling van de minister van Binnenlandse zaken inzake wijze waarop de financiële kengetallen moeten worden opgenomen in begroting en jaarstukken (nr2015-0000387198, 26 oktober 2015 gepubliceerd in de Staatscourant).

De netto schuldquote is uitgekomen op 61,8%. Dit kengetal geeft een indicatie van de druk op de schuldenlast (rente / aflossing) op de eigen middelen. De quote wordt berekend door de netto schuld te delen door het totaal aan jaarlijkse baten.

De quote voor de grondexploitatie is laag. Dit kengetal geeft aan hoe groot de grondpositie voor exploitatiegronden is (de totale waarde van de exploitatiegronden in eigendom bij de provincie) in relatie tot het totaal aan jaarlijkse baten. De provincie kan namelijk risico's lopen inzake de waardeontwikkeling van nog in exploitatie te nemen gronden die op de balans staan. In praktijk blijkt dat de provincie geen of nagenoeg geen exploitatiegronden bezit en daarom weinig risico loopt op grondexploitaties.

Het kengetal structurele exploitatieruimte geeft weer hoeveel structurele ruimte er is om de eigen lasten te dragen, ook als bijvoorbeeld de baten afnemen of de lasten in de toekomst gaan toenemen.

De ruimte wordt berekend door het structurele saldo (verschil tussen structurele baten en lasten) te delen door het totaal aan jaarlijkse baten. Een structurele ruimte van 16,2% is voldoende om schommelingen in de exploitatie op te vangen.

Het tarief dat PZH hanteert voor de opcenten is 16,9% hoger dan het gemiddelde tarief van alle provincies tezamen. Het tarief zit echter ruim onder het maximale tarief (nog 13% verhoging is theoretisch mogelijk).

Op basis van deze jaarrekening geven de gerealiseerde quota geen aanleiding tot zorg of bijsturing. In de Begroting 2017 wordt nader ingegaan op de verwachte ontwikkeling van kengetallen voor de langere termijn en zullen daaruit conclusies worden getrokken.

4. Overzicht risico's

Voor zowel de begroting als de jaarrekening vindt er een inventarisatie plaats van voor de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing relevante risico's. Het gaat hierbij om risico's die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

In onderstaande tabel staat aangegeven welke risico's naar verwachting in de komende jaren spelen. Vervolgens wordt elk risico afzonderlijk toegelicht.

In deze jaarrekening is het volgende risico toegevoegd aan de paragraaf:

  • risico inzake invoering omgevingswet (zie risico 33)

In deze jaarrekening is het volgende risico komen te vervallen:

  • onvoldoende middelen Fonds Nazorg (risico 15)

  • noodzakelijk beroep aansprakelijkheidsverzekering (risico 22)

  • ontwikkeling bezuiniging regionale omroepen (zie risico 32)

In onderstaande tabel staan de risico's die zijn geïnventariseerd voor de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing. Per risico wordt aangegeven wat de financiële gevolgen zijn, of deze structureel (s) of incidenteel (i) van aard zijn en op welk begrotingsdoel het risico betrekking heeft. De financiële gevolgen (netto effect) worden berekend door de maximale schade te vermenigvuldigen met de kans van optreden van het risico.

Tabel 1: informatie over risico's

(bedragen x 1 mln)

 

Max. Schade

 

Kans van

optreden

Netto effect (s)

in €

Netto effect (i) in €

Begrotings-doel (1)

1.

Lagere uitkering Provinciefonds

> 20,0

50-75%

12,5

 

6.1

2..

Lagere opbrengsten MRB

3,0

0-25%

0,4

 

6.2

3.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

10,0

0-25%

1,3

 

2.4

4.

Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

i

17,0

0-25%

 

2,1

5.2

5.

Financiële risico's ontwikkelopgave NNN / UPG

i

1,0

7,0

0-25%

PM

0,1

 

 

PM

1.3 / 1.4

6.

Afvalverwerkende en BRZO/IPPC-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

i

15,0

0-25%

1,9

 

2.4

7.

Garantstelling contract personenvervoer over water

i

6,1

0-25%

 

0,8

2.2

8.

Risico deelname GR Midden-Delfland

i

9,6

0-25%%

 

3,6

1.3

9.

Deelname Ontwikkelingsmaatschappij Nieuw Westland

i

1,4

75-100%

 

1,2

3.1

10.

Betwisten subsidiabiliteit EU-subsidies

i

17,4

0-25%

 

2,2

3.1

11.

Niet tot uitvoering komende infrastructurele projecten

i

9,5

0-25%

 

1,2

2.2

12.

Renterisico

2,0

25-50%

0,8

 

6.1

13.

Omgevingsrisico's vergunningverlening en handhaving

5,0

0-25%

0,6

 

2.4

13a

Derde Merwedehaven

           

14.

Maatregelen Rijk EMU-tekort

i

100,0

0-25%

 

12,5

6.1

15.

Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties (nog niet overgedragen stortplaatsen)

i

nvt

nvt

 

nvt

3.3

16.

Meerkosten PMR 750 ha

i

15,3

0-25%

 

0,0

1.3

17.

Deelname risico ROM-D Capital BV

i

8,2

0-25%

 

1,0

3.1

18.

Deelname risico InnovationQuarter

i

10,0

0-25%

 

1,3

3.1

19.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

i

3,1

0-25%

 

0,4

6.1

20.

Onvoldoende solvabiliteit / liquiditeit regionale omroepen

i

0,5

0-25%

 

0,0

4.6

21.

Herinrichting Meeslouwerplas

i

4,4

0-25%

 

0,6

1.2

22.

Noodzakelijk beroep aansprakelijkheidsverzekering

i

nvt

nvt

 

nvt

alle

23..

Indexatiekloof Openbaar Vervoer

1,4

75-100%

1,2

 

2.3

24.

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

0,3

0-25%

 

0,0

alle

25.

Doorlevering gronden TBO's

i

9.6

0-25%

 

1,2

1.3

26.

Meerkosten als gevolg van onverwachte incidenten in het areaal

PM

PM

PM

PM

2.1

27.

Ontwikkeling loonkosten (stijging werkgeverslasten en CAO)

2,7

75-100%

2,4

 

alle

28.

Risico's regeling IndividueelKeuzeBudget (IKB)

1,4

75-100%.

1,2

 

alle

29.

Uitbetalen obligaties uitgegeven in 1957 en 1959

i

0,4

0-25%

 

0,0

6.1

30.

Sloopkosten voormalige provinciale bescherming bevolking (BB) bunker

i

0,5

0-25%

0,0

0,0

1.3

31.

Restitutie ontgrondingheffing

i

0,1

50-75%

 

0,1

2.4

32.

Ontwikkeling bezuiniging op regionale omroepen

i

nvt

nvt

 

nvt

4.6

33.

Invoering Omgevingswet

i

6,0

PM

75-100%

PM

 

PM

5,3

 

3.1

 

Totaal

     

22,4

33,5

 

1.

Lagere uitkering Provinciefonds

Omschrijving

Risico is dat de inkomsten uit het Provinciefonds afwijken van wat in de begroting geraamd is, door:

  • ontwikkelingen in het accres (het fonds is via het zogeheten accres gekoppeld aan de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven);

  • ontwikkelingen in de verdeelmaatstaven (bijvoorbeeld aantal inwoners / woonruimten);

  • effecten van taakmutaties (bijvoorbeeld bij nieuwe taken voor provincies of bij overheveling van taken en bijbehorende middelen aan gemeenten);

  • effecten van onder- en overschrijdingen van het plafond van het BTW-compensatiefonds;

  • de mogelijkheid van een eenzijdige korting door een nieuw kabinet.

Impact

Kleine ontwikkelingen (in accres, verdeelmaatstaven, taken, BCF) kunnen naar verwachting worden opgevangen binnen de behoedzaamheidsmarge, die de provincie Zuid-Holland hanteert bij het ramen van de inkomsten uit het Provinciefonds (in 2015 was die behoedzaamheid € 1,5 mln, met ingang van 2016 € 2 mln).

De volgende ontwikkelingen kunnen (mogelijk) een grotere impact hebben:

  • accres: de afgelopen jaren heeft het Rijk (lopende en/of na afloop van het begrotingsjaar) het accres naar beneden bijgesteld;

  • taakmutaties: het Rijk wil bezien hoe middelen voor groen en verkeer & vervoer (voor provincie Zuid-Holland > € 100 mln) geïntegreerd kunnen worden met de systematiek van het Provinciefonds; dit kan leiden tot (voor- dan wel nadelige) herverdeeleffecten;

  • generieke korting: een nieuw kabinet kan ervoor kiezen een nieuwe, generieke korting door te voeren op het Provinciefonds (in 2012 was de omvang van de generieke korting voor Provincie Zuid-Holland ruim € 20 mln).

Gezien de dynamiek in het Provinciefonds de laatste jaren is de kans op afwijkingen van meer dan

€ 2 mln in het Provinciefonds reëel. Voor de maximale impact van dit risico wordt cijfermatig aangesloten bij de omvang van de generieke korting in 2012.

Maatregelen

  • op de voet volgen van ontwikkelingen (circulaires / rijksbegroting);

  • betrokkenheid via het IPO bij onder andere verdeelvraagstukken;

  • hanteren behoedzaamheid bij het ramen van de inkomsten uit het Provinciefonds (€ 2 mln).

Status

  • Met de vaststelling van het rapport van de commissie "aanpak verdeelvraagstukken" heeft het IPO-bestuur een voorstel gedaan aan de minister van Binnenlandse Zaken (de fondsbeheerder) hoe vorm en inhoud te geven aan een transparanter verdeelmodel en aanpak voor (her)verdeelvraagstukken. De wet moet hiervoor worden aangepast. Als onderdeel hiervan zal de minister ook advies inwinnen bij de Raad voor Financiële verhoudingen (Rfv). Beoogde invoeringsdatum van de wetswijziging is

1 januari 2017. Consequentie van het voorstel is dat decentralisatieuitkeringen (zoals verkeer & vervoer en groen) zonder herverdeeleffecten in de algemene uitkering worden opgenomen. Belangrijk punt is verder dat het model wordt herijkt als verschillen in kostenstructuren daar aanleiding toe geven. Dit sluit aan bij de inzet van Zuid-Holland op dit dossier: voor een toekomstbestendig en kostengeoriënteerd stelsel is het van belang, dat het Provinciefonds 'mee-ademt' met maatschappelijke ontwikkelingen.

  • Lopende het begrotingsjaar 2015 is de algemene uitkering tweemaal naar beneden bijgesteld

(€ 2,4 mln bij Voorjaarsnota en € 6,5 mln bij Najaarsnota), hoofdzakelijk veroorzaakt door ontwikkelingen in het accres. Uit de Najaarsnota 2015 van het Rijk blijkt dat er per saldo geen nieuwe ontwikkelingen zijn in het accres. Een definitief beeld van de algemene uitkering is er echter pas bij de Meicirculaire 2016 (deze bevat de eindafrekening van het Provinciefonds over 2015 en is gebaseerd op de jaarrekening van het Rijk). De uitkomsten hiervan worden verwerkt in de Najaarsnota 2016 van de provincie Zuid-Holland.

2.

Lagere opbrengsten Motorrijtuigenbelasting (MRB)

Omschrijving

Risico is dat de inkomsten uit de opcenten lager uitvallen dan geraamd.

Bepalend voor de omvang van de inkomsten zijn het aantal belastingplichtige auto's, het gemiddelde gewicht en het betaalgedrag van de belastingplichtigen. Deze variabelen zijn weer afhankelijk van macro-economische factoren (zoals de koopkracht van gezinnen), maatschappelijke ontwikkelingen (veranderende voorkeuren) en wet- en regelgeving (mate waarin sprake is van vrijstellingen).

Impact

De onzekerheid in de omvang van de inkomsten door exogene ontwikkelingen is relatief beperkt. In de raming wordt rekening gehouden met een behoedzaamheid van 1% van de geraamde inkomsten (1% staat voor een bedrag van € 3 mln structureel).

De afgelopen jaren is deze marge voldoende gebleken om nadelige ontwikkelingen in de inkomsten op te vangen. De kans op een grotere impact dan deze 1% wordt dan vooralsnog ook als beperkt beschouwd. Dat zou dan echt moeten komen door nieuwe wetgeving (bijvoorbeeld de invoering van vrijstellingen die de afgelopen jaren juist zijn teruggedraaid) of economische ontwikkelingen (bijvoorbeeld nieuwe crisis) die leiden tot een afname van het aantal belastingplichtige auto's.

Bij de bepaling van de impact van dit risico wordt uitgegaan van een extra afname van 1% (bovenop de 1% waar al door het behoedzaam ramen rekening mee is gehouden) met een zeer lage kans van optreden (0-25%).

Maatregelen

  • Ontwikkelingen in het wagenpark worden op de voet gevolgd (op basis van de gegevens van de belastingdienst per 1 januari en 1 juli van het kalenderjaar;

  • Maandelijks rapporteert de belastingdienst over de werkelijk ontvangen inkomsten;

  • Bij het ramen van de inkomsten wordt een behoedzaamheidsmarge gehanteerd van 1% (dit staat gelijk aan € 3 mln).

Status

De raming voor de Begroting 2016 is gebaseerd op het wagenparkoverzicht van de belastingdienst per

1 juli 2015 en het opcententarief (conform het Hoofdlijnenakkoord 92 opcenten).

3.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

Omschrijving

In de Ontgrondingenwet is een regeling voor nadeelcompensatie opgenomen. Nadeelcompensatie houdt in dat de overheid aan belanghebbenden de schade vergoedt die zij ondervinden van een op zichzelf rechtmatig overheidsbesluit. De regeling in de Ontgrondingenwet houdt in dat de provincie aan de aanvrager van de vergunning of aan andere belanghebbenden de schade moet vergoeden die deze lijden als gevolg van een ontgrondingsvergunning, indien deze schade redelijkerwijs niet voor hun rekening hoort te blijven. Ook buiten het geval van nadeelcompensatie is het mogelijk dat de provincie wordt geconfronteerd met een claim van schade die is ontstaan als gevolg van een vergunde ontgronding. In het bijzonder bij grote actuele ontgrondingen, zoals zandwinningen, is het risico op schade aan de omgeving reëel aanwezig.

Impact

Per geval kan de schadeclaim hoog zijn. Dit wordt beïnvloed door de aard en de omvang van de ontgronding en het karakter van de omgeving. Voor een grote zandwinning moet de omvang van de mogelijk te vergoeden schade worden gesteld op circa € 10 mln.

Maatregelen

De vergunningverlening is sinds 1 januari 2013 ondergebracht bij Omgevingsdienst Haaglanden; toezicht en handhaving gebeuren door de omgevingsdienst waarbinnen de desbetreffende ontgronding plaatsvindt. Beperking van dit risico door de provincie vergt adequaat toezicht op een zorgvuldige uitvoering van deze taken door de omgevingsdienst.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. In 2014 heeft de Raad van State een vordering in verband met ambtshalve wijziging ontgrondingenvergunning Zevenhuizerplas afgewezen. In augustus 2015 is er een dagvaarding gekomen voor de stilligschadeclaim in relatie met deze ambtshalve wijziging. De provincie kan voor deze vordering een beroep doen op de aansprakelijkheidsverzekering (onrechtmatig handelen in verband met vernietiging van een besluit). De mogelijkheid tot claims voor deze ambtshalve wijziging verjaart in 2016.

4.

Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

Omschrijving

De provincie neemt voor 40% deel aan de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Grondbank Rotterdam Zoetermeer Gouda (RZG) Zuidplas. Deze gronden zullen ten behoeve van de beoogde gebiedsontwikkeling worden verkocht. De ontwikkeling zal geleidelijk plaatsvinden over een langere periode. De bezittingen van de Grondbank liggen voor een aanzienlijk deel in de deelgebieden die pas na 2025 aan de orde zullen komen. De opbrengst van de verkoop is onzeker, het risico bestaat dat de daadwerkelijke waarde van de bij de Grondbank in eigendom zijnde grond lager is dan de boekwaarde, maar het is ook goed mogelijk dat de verkoop leidt tot een hogere opbrengst dan de boekwaarden. Omdat de boekwaarden van alle gronden nu hoger is dan de taxatiewaarde heeft de Grondbank een negatieve algemene reserve. Dit is toegestaan mits er voldoende perspectief is op herstel. Op grond van de in opdracht van de Grondbank uitgevoerde berekeningen is geconstateerd dat dit perspectief er (deels) is. De onzekerheden en afhankelijkheden zijn echter zeer groot. Nieuwe ontwikkelingen in de Zuidplas kunnen overigens op termijn zowel een positief als een negatief effect hebben op de waardeontwikkeling van de gronden. Ook kan aanpassing van het provinciaal ruimtelijk beleid ertoe leiden dat op deelgebieden bepaalde ontwikkelingen niet meer wenselijk zijn. Dit kan leiden tot verminderde opbrengst bij verkoop.

Impact

Per 1 januari 2015 bezit de Grondbank circa 301 ha grond met een boekwaarde van circa € 97 mln. De provincie is voor 40% risicodragend. De GR Grondbank blijft in ieder geval tot 1 januari 2020 bestaan. Bij de berekening van de maximale waardedaling wordt uitgegaan van een situatie waarin de waarde van de grond daalt tot agrarische waarde. Deze maximale waardedaling is aanvullend op het bedrag waarvoor al een voorziening is getroffen.

Maatregelen

  • Als gevolg van waardedalingen van de gronden heeft de Grondbank in 2011 een voorziening grondvoorraden ad € 30 mln opgenomen en daar een negatief eigen vermogen van € 30 mln tegenover gezet. Op basis daarvan heeft de provincie in 2011 een voorziening getroffen van € 12 mln (40% van het negatieve eigen vermogen).

Elk jaar wordt 1/3 deel van de gronden opnieuw getaxeerd door een onafhankelijke taxateur. De uitkomst wordt geëxtrapoleerd naar het totale grondbezit. Eventuele waardedalingen of -stijgingen worden verrekend met de deelnemers.

Op grond van de eind 2015 uitgevoerde taxaties is geconstateerd dat de boekwaarde van de gronden met € 6 mln is gestegen, waardoor de provincie € 2,4 mln van de voorziening kan laten vrijvallen (40% van € 6 mln). De stand van de voorziening per 31-12-2015 bedraagt nu € 9,6 mln.

  • Het bestuur van de Grondbank stelt periodiek een UitnamestrategieKader vast. Hierin zijn onder andere het beleid voor gronduitgifte, het beheer en de stimulering van gebiedsontwikkeling vastgelegd. In 2016 zal een nieuw Uniform SubsidieKader (USK) worden vastgesteld.

  • Het risico kan daarnaast beheerst worden door het in ontwikkeling brengen van gronden op basis van de afspraken die de samenwerkende partijen daarover maken.

  • Gronden die op basis van het ruimtelijk beleid niet in aanmerking komen voor verdere ontwikkeling worden door de Grondbank afgestoten.

  • Het USK uitvoeren zoals beheer van gronden met doel waardebehoud en het proactief reageren op de vraag uit de markt.

Vanaf 2012 worden de rente- en organisatiekosten niet meer aan de boekwaarde toegerekend, maar verwerkt in de deelnemersbijdrage. Hiertoe neemt de boekwaarde niet verder toe.

Status

In de Visie Ruimte en Mobiliteit is de Zuidplaspolder als gewenste locatie voor het opvangen van de bovenregionale behoefte aan bedrijventerreinen en aan landelijke en dorpse woonmilieus herbevestigd. Daardoor blijft ontwikkeling op het grootste deel van de gronden van de Grondbank voor het oorspronkelijke doel mogelijk. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in haar rol als toezichthouder op de GR Grondbank aangegeven dat ze ervan uitgaat dat uiterlijk in 2018 de negatieve algemene reserve weer positief is om de risico's van de Grondbank te kunnen opvangen. Dit versterkt de noodzaak van het in ontwikkeling brengen van de gronden. De invoering van Vennootschapsbelasting voor overheidsorganisaties kan in de toekomst voor de Grondbank financiële consequenties hebben. Hierop is zoveel mogelijk geanticipeerd.

5.

Financiële risico's ontwikkelopgave NNN / UPG

Omschrijving

Risico is dat de provincie niet of niet tijdig voldoende middelen beschikbaar heeft om de ontwikkelopgave voor het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) te kunnen realiseren.

Impact

  • Grond voor grond: de verkoop van provinciale gronden kan tegenvallen door dalende grondprijzen. In de Uitvoeringsstrategie is uitgegaan van een gemiddelde opbrengst van € 6 mln per jaar. Het is lastig om een inschatting te maken van de hoogte van eventuele tegenvallers door lagere grondprijzen, uitgegaan wordt van een maximaal risico van € 1 mln per jaar. De kans van optreden van dit risico wordt als laag beschouwd (0-25%).

  • Rijksmiddelen: volgens de Uitvoeringsstrategie is de rijksbijdrage gemiddeld circa € 7,5 mln per jaar. Met het Rijk is voor 2014 en 2015 een lagere bijdrage afgesproken die in 2016/2017 wordt gecompenseerd. Mocht hierin verandering optreden vanwege gewijzigd rijksbeleid dan wordt het maximale risico ingeschat op € 7 mln. De kans dat dit risico zich voordoet wordt als nihil beschouwd.

Maatregelen

De volgende beheersmaatregelen zijn/worden genomen:

  • Conform de Uitvoeringsstrategie EHS geldt het uitgangspunt dat doelen en middelen in balans moeten zijn, dit is inclusief het beheer van nieuwe natuurgebieden. In de Uitvoeringsstrategie NNN worden drie fasen onderscheiden (2013-2016, 2017-2021 en 2021-2027) met elk een eigen ijkpunt. Doel is dat PS weloverwogen keuzes kan maken ten aanzien van de inzet van middelen in relatie tot de beschikbaarheid ervan en de programmering. Voor de risicobeheersing heeft PS een strategische reservering opgenomen. In 2021 besluit PS of er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de strategische reservering uit te kunnen voeren. Ten aanzien van de grond-voor-grond opbrengsten zal een actief beleid worden gevoerd om alle gronden tijdig vrij te spelen voor de verkoop, zodat de geplande opbrengst kan worden gerealiseerd. Op dit moment is de grondprijs gunstig en vormt geen drukkende factor op de opbrengst;

  • In het Hoofdlijnenakkoord 2015–2019 zijn structurele middelen beschikbaar gesteld waarmee de toename van de beheerlasten na realisatie van de NNN-opgave in de periode t/m 2021 gedekt is. Gecontinueerd worden de maatregelen om de uitvoeringslasten van subsidieverlening te verlagen. Hiermee is het risico van onvoldoende middelen voor beheer gereduceerd tot nihil;

  • De genoemde incidentele tegenvallers kunnen worden beperkt door heldere afspraken te maken met (gebieds-) partijen, waarbij eventueel in af te sluiten overeenkomsten taakstellende budgetten worden afgesproken. Dit geldt eveneens voor de EU-middelen voor agrarisch natuurbeheer. Wanneer de bijdragen van regionale partijen achterblijven, zal de programmering worden aangepast.

Status

Voor de Begroting 2015 is nog een risico benoemd van € 11,5 mln ten aanzien van de verwerving door de provincie van een areaal zogenoemde 'bufferzonegronden' van het Rijk ten behoeve van de provinciale opgave. Inmiddels is dit risico vervallen, omdat GS met het Rijk overeengekomen zijn om de benodigde gronden aan te kopen voor een bedrag van € 4 mln en het overnemen van een rijksverplichting voor maximaal € 1mln, ten behoeve van de recreatieopgave.

In 2016 wordt voor de NNN de nieuwe programmaperiode 2017–2021 uitgewerkt en vastgesteld. Hierin zal ook een analyse zitten over de risico's voor deze nieuwe periode. De voortgang geeft geen reden voor bijstelling van het financiële risico.

6.

BRZO en/of RIE-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

Omschrijving

De provincie is bevoegd gezag voor de vergunningverlening aan BRZO en/of RIE (Besluit risico zware ongevallen / richtlijn industriële emissies) bedrijven. Ingeval van een faillissement en/of calamiteiten (zoals brand) kan de situatie ontstaan dat een bedrijf niet meer aan zijn vergunningplicht kan voldoen. Hierbij kan sprake zijn van gevolgschade. Bij gevolgschade kan gedacht worden aan de kosten van verwijdering van (afval)stoffen of sanering. Indien een bedrijf niet meer aan zijn vergunningplicht kan voldoen betekent dit niet automatisch dat de provincie verantwoordelijk is voor de ontstane schade. In eerste instantie zal gekeken worden naar de vergunninghouder en zijn verzekering. Indien de vergunninghouder failliet is en er onvoldoende middelen in de boedel aanwezig zijn, komen de eigenaren van de grond en opstallen in beeld. Indien er dan restkosten overblijven waarvoor geen juridisch aan te spreken verantwoordelijke is, kan de provincie er vanuit haar maatschappelijke verantwoordelijkheid voor kiezen (een deel) van deze kosten voor haar rekening te nemen.

Impact

De kans dat dit risico zich voordoet wordt zeer klein geacht (de laatste keer dat dit zich voor heeft gedaan was circa 10 jaar geleden). Als het zich voordoet kan de impact behoorlijk groot zijn (al kunnen de kosten per situatie sterk verschillen, er wordt rekening gehouden met circa € 15 mln per bedrijf). Voor de berekening in de paragraaf weerstandsvermogen wordt daarom uitgegaan van een zeer kleine kans van optreden (0-25%) met een maximale impact van € 15 mln (uitgaande van hooguit één incident per jaar).

Maatregelen

De omgevingsdiensten voeren het toezicht op de betreffende bedrijven uit conform de nota VTH.

  • Door goed toezicht te houden en scherp te handhaven op naleving van de voorschriften voor omvang en soorten (afval)stoffen, wordt het risico beperkt tot de vergunde (afval)stoffen.

  • De BRZO/RIE-bedrijven worden periodiek gecontroleerd op de wijze van opslag van de (gevaarlijke) stoffen.

De omgevingsdiensten voeren regelmatig en frequent overleg met de portefeuillehouders vergunningverlening en toezicht & handhaving over uitvoeringsdilemma's en beoogde handhavingsbesluiten.

Op grond van de provinciale mandaatbesluiten moeten de directeuren van de omgevingsdiensten informatie verschaffen aan- en overleg voeren met de portefeuillehouder indien de uitoefening van een gemandateerde bevoegdheid naar verwachting politieke en maatschappelijke gevolgen kan hebben of indien een besluit tot consequentie kan hebben dat de provincie of Gedeputeerde Staten aansprakelijk worden gesteld of anderszins aangesproken worden.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. Door de wijze waarop toezicht wordt gehouden en het feit dat het risico zich afgelopen jaren niet heeft voorgedaan, wordt de kans van optreden als klein ingeschat. Conform de inschatting heeft dit risico zich in 2015 niet voorgedaan.

* IPPC (integrated pollution prevention control) verwijst naar de gelijknamige richtlijn van de EU, die bestaat uit een set regels om industriële installaties te controleren; BRZO staat voor bedrijven met een verhoogd risico op zware ongevallen.

7.

Garantstelling Contract Personenvervoer over Water (POW)

Omschrijving

Het Contract Personenvervoer over Water (POW) betreft een vervoersdienst tussen Dordrecht en Rotterdam en binnen de Drechtsteden. Dit contract loopt van 1 januari 2010 tot 1 januari 2022. Hierin is opgenomen dat de in te zetten schepen aan het einde van de contractperiode overgaan naar de nieuwe vervoerder tegen het voorgeschreven restant van de boekwaarde van € 2,9 mln ultimo 2021. Tegenover de vreemdvermogenverstrekker staat de provincie garant voor het verschil tussen de opbrengst en de boekwaarde van de schepen bij tussentijdse beëindiging vanwege betalingsproblemen van de vervoerder. Deze garantstelling is in 2015 nog eens bevestigd waarbij de boekwaarde ultimo 2021 is verlaagd van € 3 mln naar € 2,9 mln in verband met de verkoop van een schip dat onderdeel uitmaakte van de garantstelling. Daarnaast heeft een wijziging van de financieringsovereenkomst tussen de vervoerder en de vreemdvermogenverstrekker plaats gevonden in verband met de aanschaf van een nieuw schip voor de Pilot Spits- en Daldienst Waterbus 2015-2017. Dit nieuwe schip maakt op dit moment echter geen onderdeel uit van de garantstelling vanwege het tijdelijke karakter van de inzet.

Impact

Maximale impact van het risico op basis van stand ultimo 2015 is € 6,1 mln.

Maatregelen

In de aanbestedingsleidraad zijn door de provincie diverse aanvullende maatregelen opgenomen die de kans op een succesvolle exploitatie van POW vergroten.

Status

Het contract is ingegaan per 1 januari 2010.

8.

Risico deelname gemeenschappelijke regelingen: GR Midden-Delfland

Omschrijving

De provincie loopt bij alle gemeenschappelijke regelingen (GR) financiële risico's, omdat zij naar rato van de deelneming kan worden aangesproken op financiële tekorten. Deze tekorten kunnen ontstaan op het moment dat het weerstandsvermogen van de betreffende regeling van onvoldoende omvang is om de financiële risico's af te dekken.

Bij het recreatieschap Midden-Delfland speelt het volgende. Het Rijk heeft aangegeven uit te willen treden uit deze GR. Vanuit de GR is de uittreedvergoeding in 2012 berekend op € 50 mln in geval het (uitvoerings)beleid niet kan worden bijgesteld. Tegen deze vergoeding heeft het Rijk formeel bij de rechtbank beroep aangetekend. De Rechtbank heeft zich in de uitspraak geschaard achter de noodzaak het beleid te herijken en heeft de beslissing op bezwaar van het recreatieschap vernietigd. Tegen deze uitspraak is het Recreatieschap in hoger beroep gegaan bij de Raad van State.

Eind 2014 heeft naar aanleiding van deze beroepsprocedure onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijkheden om het beleid bij te stellen; naar aanleiding van dit onderzoek is de uittreedvergoeding bijgesteld naar € 30 mln. Deze beroepsprocedure is medio 2015 afgerond, waarbij de rechter heeft bepaald dat voor de berekening van een uittreedvergoeding een overgangsperiode van 5 jaar dient te worden gehanteerd. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het bestuur van het recreatieschap bepaald dat naar aanleiding van de uittreding van het Rijk de schapsbijdrage van de individuele deelnemers niet verhoogd zal gaan worden. Daarnaast heeft de provincie in 2015 besloten om zelf eveneens deelname aan (alle) recreatieschappen te zullen beëindigen, waarbij door de provincie de toezegging is gedaan dat de huidige beschikbare provinciale middelen voor de recreatieschappen niet verlaagd (of verhoogd) zullen worden.

Impact

De kans van optreden wordt ingeschat als laag (0 -25%).

Maatregelen

Naar aanleiding van de uittreding van het Rijk en nu ook de uittreding van de provincie doet het schap onderzoek naar de mogelijkheid tot liquidatie. Beheermaatregelen die leiden tot kostenreductie, zoals teruggave van gronden die in beheer zijn bij het schap, maar vol eigendom zijn van Staatsbosbeheer, zijn uitgevoerd. Ook zijn stappen gezet om uitgaven zo veel mogelijk te beperken en het verdienpotentieel maximaal te benutten.

Status

Door het Rijk is een juridische procedure gestart tegen het besluit van de Midden-Delflandraad. Op 14 april 2014 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan. Tegen deze uitspraak heeft het Recreatieschap Midden-Delfland op 26 mei 2014 hoger beroep ingesteld. Op 15 april 2015 heeft de Raad van State uitspraak gedaan over de hoogte van de (bijgestelde) uittreedvergoeding. Het recreatieschap en het Rijk zijn daarop in overleg getreden. Nu tevens uittreding van de provincie per 31/12/2016 aan de orde is, wordt momenteel door de schapsdeelnemers overleg gevoerd over de toekomst van het recreatieschap.

9.

Deelname risico Ontwikkelingsmaatschappij Het Nieuwe Westland (ONW)

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland neemt deel in de Ontwikkelingsmaatschappij Het Nieuwe Westland (ONW), een publiek-private samenwerking, waarin verder de gemeente Westland, het Hoogheemraadschap Westland en BNG Gebiedsontwikkeling participeren. De ONW is bedoeld als instrument om de ambities van het Integraal Ontwikkelingsprogramma Westland (IOPW) te realiseren, waaronder een aantal woningbouwlocaties. Ten gevolge van de kredietcrisis staan de resultaten onder druk en beperkt ONW zich meer en meer tot slechts het realiseren van de woningbouwlocaties. De risico's zijn aanzienlijk met name omdat al grote grondposities zijn ingenomen, deels ondergebracht bij de gemeente Westland, deels rechtstreeks bij de ONW.

Impact

Uittreden kan grote financiële consequenties hebben die op kunnen lopen tot de omvang van het aandelenkapitaal van Zuid-Holland. Dit is een bedrag van € 1,4 mln (het volledige bedrag is inmiddels volgestort).

Maatregelen

Er is geen acute aanleiding om uit te treden en daarmee het verlies volledig te nemen.

Gezien de huidige markt voor woningbouw is sprake van een hoog risicoprofiel met betrekking tot de waardeontwikkeling van het aandelenkapitaal.

Status

Zie maatregelen.

10.

De Europese Commissie kan subsidiabiliteit van uitgaven betwisten

Omschrijving

De provincie loopt bij Europese projecten (voor de onderdelen waarvoor zij eindverantwoordelijk is) het risico dat uitgaven achteraf als niet-subsidiabel worden aangemerkt, omdat niet voldaan is aan administratieve eisen. Dit blijkt bij toetsing van uitgaven op basis van voortgangs- en eindrapportages. Het maximale risico is het relatieve aandeel van de Europese subsidie in de gemaakte en nog niet gecontroleerde en gecertificeerde uitgaven. Daarnaast bestaat bij een afgesloten Europees subsidieproject het risico dat achteraf uitgaven ten behoeve van het project niet-subsidiabel worden geacht naar aanleiding van een controle. Subsidies kunnen dan, zelfs vijf jaar na afsluiting van het subsidieprogramma, worden teruggevorderd. Het teruggevorderde bedrag kan oplopen tot 50% van de totale omvang van de projectkosten.

Impact

De risico's betreffen gemaakte en nog niet gecontroleerde en gecertificeerde uitgaven.

Het risico dat er achteraf uitgaven worden betwist betreft alle Europese financiering die Zuid-Holland in de vorige periode (2007-2013) en de huidige periode (2014-2020) heeft ontvangen voor Kansen voor West, Interreg en het Zevende Kaderprogramma. Het betreft een bedrag van € 17,4 mln dat exclusief van toepassing is op de periode 2007-2013. Voor de projecten tot en met 2020 geldt dat er op dit moment nog geen projecten in uitvoering zijn. Er spelen dus ook nog geen risico's voor deze periode.

Maatregelen

  • Bewaking van de subsidiabiliteit van uitgaven door goede projectvoorbereiding en -selectie.

  • Voortdurende bewaking van de procedures voor het indienen van tussentijdse declaraties.

  • Zorgdragen voor een goede archivering van al afgerekende projecten naar de maatstaven van de Europese Commissie.

Status

In de periode 2007 tot en met 2013 zijn 10 projecten van de provincie uitgevoerd. Voor de nu lopende periode (2014-2020) zijn nog geen projecten in uitvoering. Het steunpunt subsidies van de provincie bewaakt op actieve wijze dat voldaan wordt aan de eisen van de Europese Unie.

11.

Niet tot uitvoering komen grote infrastructurele projecten

Omschrijving

De plan- en voorbereidingskosten van projecten groter dan € 1 mln uit het meerjarenprogramma Investeringen Provinciale Infrastructuur (MPI) worden op basis van het Besluit Begroten en Verantwoorden provincies en gemeenten (BBV, art. 60) geactiveerd en in vijf jaar afgeschreven. Indien projecten onverhoopt niet worden gerealiseerd, dienen de gemaakte plan- en voorbereidingskosten te worden afgewaardeerd en komen dan in één keer ten laste van de exploitatie.

Impact

De vele partijen, de vaak uiteenlopende belangen, de grote mate van complexiteit, de forse investeringen, maar ook de regelgeving op het gebied van onder andere luchtkwaliteit, geven een mate van onzekerheid aan deze grote projecten, waarvan de totale plan- en voorbereidingskosten vele miljoenen bedragen. Hier staat als financieel voordeel tegenover dat er geen kapitaallasten optreden, noch vanwege plan- en voorbereidingskosten, noch vanwege de realisatie van het project. De boekwaarde en de onderhandenwerkpositie van deze plan- en voorbereidingskosten bedraagt ultimo 2015 € 9,5 mln.

Maatregelen

Door met de provincie en alle betrokken partijen bestuursovereenkomsten aan te gaan waarbij ook afspraken gemaakt worden over de gang van zaken bij ernstige vertragingen of het niet realiseren van het project, worden zekerheden verkregen. Als het risico zich voordoet zal het worden opgevangen binnen de reserves met betrekking tot infrastructuur.

Status

Is een doorlopend risico, omdat zich jaarlijks projecten in de plan- en voorbereidingsfase bevinden.

12.

Renterisico

Omschrijving

De provincie trekt langlopende leningen aan om in de eigen financieringsbehoefte te voorzien. De financieringsbehoefte zal de komende jaren naar verwachting toenemen door de afloop van bestaande leningen, de omvang van voorgenomen investeringen en de afname van eigen financieringsmiddelen (door de geraamde benutting van reserves en voorzieningen). De jaarlijkse kosten van de financieringsbehoefte (rentelasten) worden bepaald door de omvang van de bestaande leningenportefeuille, de financieringsbehoefte als gevolg van voorgenomen investeringen en de van toepassing zijnde rentetarieven.

Impact

In 2015 waren voldoende liquiditeiten beschikbaar zodat het niet nodig was om op de kapitaalmarkt leningen aan te trekken. Gezien de voorgenomen investeringen van Zuid-Holland zal er naar verwachting eind 2016 / begin 2017 weer een financieringsbehoefte ontstaan. Doordat er op de middellange termijn een grote financieringsbehoefte is stijgt het renterisico voor de provincie Zuid-Holland. Bij een netto jaarlijkse financieringsbehoefte van circa € 200 mln en een stijging van de rente van 1% bedraagt de toename van de rentelasten jaarlijks structureel circa € 2 mln.

Maatregelen

Via het zogeheten renteomslagpercentage worden de rentelasten toegerekend aan de programma's waarvoor sprake is van een financieringsbehoefte. Het renteomslagpercentage wordt berekend op basis van de uitgangspunten van de door Provinciale Staten vastgestelde beleidsnota kostprijs- en renteberekening. Bij de berekening van de toekomstige rentelasten in de meerjarenbegroting wordt uitgegaan van een behoedzame benadering. Verder wordt de financieringsbehoefte periodiek meerjarig bepaald en wordt beoordeeld of incidenteel dan wel structureel tot afdekking van het renterisico dient te worden overgegaan.

Status

Zie omschrijving.

13.

Omgevingsrisico's vergunningverlening en handhaving

Omschrijving

Vergunningverlening en handhaving kennen altijd omgevingsrisico's. Het is een politiek gevoelig beleidsveld. De betrokkenheid van burgers en externe partijen en daarmee de beïnvloeding van externen bij de uitvoering van de werkzaamheden is groot. In het kader van de besluitvorming lopen de omgevingsdiensten dan wel de provincie dan ook altijd juridische risico's. Tegen menig besluit wordt bezwaar dan wel beroep aangetekend. Verder kunnen claims als gevolg van economische, milieu- of gezondheidsschade leiden tot extra kosten voor de provincie. Daarnaast kunnen kosten ontstaan als gevolg van handhavingsbesluiten als bestuursdwang. Het nemen van bestuurlijk gecalculeerde risico's is een onderdeel van het vergunningverlenings- en toezicht- en handhavingsbeleid. De omgevingsdiensten voeren dit beleid uit namens de provincie.

Impact

Het terugbetalen van eventuele proceskosten, evenals schadeclaims alsmede onvoorziene kosten als gevolg van handhavingsbesluiten, is een financieel risico. De kosten voor bestuursdwang kunnen in principe verhaald worden op het bedrijf, het risico bestaat dat dit niet (meer) mogelijk is. Er wordt uitgegaan van maximaal € 5 mln op jaarbasis.

Maatregelen

De vergunningverlening, toezicht en handhaving is ondergebracht bij de omgevingsdiensten. De provincie ziet erop toe dat de omgevingsdiensten de provinciale beleidskaders (Nota VTH 2014-2017) uitvoeren en voldoen aan de vigerende kwaliteitscriteria.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. In 2015 hebben zich geen extra kosten voorgedaan als gevolg van claims. In deze paragraaf wordt het risico met betrekking tot de Derde Merwedehaven separaat toegelicht.

13a.

Derde Merwedehaven

Omschrijving

In februari 2011 heeft de provincie een grotere hoeveelheid gestort asbesthoudend materiaal in de Derde Merwedehaven gerapporteerd (ten opzichte van februari 2010). Naar aanleiding van aangifte door de Stichting Derde Merwedehaven is een strafrechtelijk onderzoek gestart. De uitkomst is inmiddels bekend: Zuid-Holland en anderen zullen strafrechtelijk niet vervolgd worden. Er kunnen echter wel aansprakelijkheidsrisico's volgen uit mogelijk gelopen gezondheidsklachten.

Impact

Eventuele aansprakelijkheidsclaims kunnen financiële gevolgen hebben (de kans van optreden van deze claims wordt, gezien het feit dat de provincie of haar bestuurders en/of medewerkers niet als verdachte betrokken zijn, beperkt geacht).

Maatregelen

Als resultaat van bestuurlijk overleg worden de volgende acties uitgevoerd:

  • er wordt structureel/intensief ingezet op communicatie met de omgeving;

  • de stortactiviteiten zijn met ingang van 31 januari 2012 gestopt, maar de afwerking van de stortplaats dient nog plaats te vinden;

  • het voorterrein doet nog dienst als bedrijventerrein.

Status

In 2023 wordt de stortplaats overgedragen aan de provincie.

14.

Maatregelen Rijk in verband met EMU-tekort

Omschrijving

Op grond van de wet houdbare overheidsfinanciën (HOF) leveren decentrale overheden een gelijkwaardige inspanning aan de beheersing van het EMU-saldo. Dit saldo is het totaal van inkomsten minus uitgaven van het Rijk, sociale fondsen en decentrale overheden tezamen. Bij een nadelig saldo is sprake van een tekort. In beginsel leiden investeringen en onttrekkingen uit de reserves bij decentrale overheden tot een tekort. Dit zijn namelijk uitgaven waar geen lopende inkomsten tegenover staan.

Voor de Nederlandse overheid als geheel geldt dat het EMU-tekort maximaal -3% mag bedragen van het bruto binnenlands product (BBP). Het tekort voor decentrale overheden is in onderling overleg met het Rijk voor 2015 gemaximeerd op -0,5% BBP. Deze tekortnorm voor decentrale overheden is door het Rijk verder uitgesplitst in een norm voor provincies, gemeenten en waterschappen afzonderlijk. Tot slot is deze 'tekortnorm' weer uitgesplitst naar een referentiewaarde per individuele organisatie.

De wet HOF geeft het Rijk de mogelijkheid maatregelen te treffen als decentrale overheden hun gezamenlijke norm overschrijden en er meerjarig geen zicht is op verbetering.

Maatregelen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het faseren van investeringen, of als ultimum remedium op het korten van het Gemeente- en/of Provinciefonds.

Impact

De maximale impact staat gelijk aan de omvang van de algemene uitkering uit het Provinciefonds (voor de provincie Zuid-Holland is dat momenteel circa € 100 mln).

De kans van optreden is vooralsnog beperkt. Dit komt doordat Rijk en decentrale overheden hebben afgesproken dat er gedurende de huidige kabinetsperiode geen sancties worden opgelegd.

Verder heeft de minister van Financiën bij de behandeling van het wetsvoorstel meerdere keren toegezegd dat de wet niet ten koste zal gaan van investeringen door decentrale overheden.

De volgende ontwikkelingen zijn de komende jaren van invloed op de kans van optreden / impact:

  • Het Rijk is voornemens de tekortnorm voor decentrale overheden aan te scherpen naar -0,4% BBP in 2016 en -0,3% BBP in 2017. Dit is een forse verlaging van de huidige tekortnorm (-0,5% BBP).

  • Een nieuw kabinet heeft weer de mogelijkheid sancties op te leggen bij een dreigende, meerjarige overschrijding van de norm voor decentrale overheden.

  • De BDU verkeer en vervoer is met ingang van 2016 als decentralisatieuitkering aan de algemene uitkering van het Provinciefonds toegevoegd. Mogelijk wordt ook de decentralisatieuitkering voor groen toegevoegd. Dit betekent meer dan een verdubbeling van de omvang van de algemene uitkering.

Maatregelen

In 2015 heeft Zuid-Holland een EMU-saldo (tekort) gerealiseerd van € - 2,7 mln. Dit is ruim boven de referentiewaarde van € - 75,2 mln. Oorzaken liggen zowel in neerwaartse bijstellingen in de benutting van de reserves, het overschot in de exploitatie en de bijstellingen in de investeringsramingen.

Status

In 2015 heeft Zuid-Holland een EMU tekort gerealiseerd van € 1,3 mln. Dit is ruim boven de referentiewaarde van € 75,2 mln. Oorzaken liggen zowel in neerwaartse bijstellingen in de benutting van de reserves, het overschot in de exploitatie en de bijstellingen in de investeringsramingen.

15.

Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties

Omschrijving

Met ingang van 1 april 1998 zijn provincies verantwoordelijk voor de eeuwigdurende nazorg van provinciale stortplaatsen, waarop na 1 september 1996 nog afvalstoffen zijn of worden gestort. Het Fonds Nazorg gesloten stortlocaties is ingesteld voor het beheer van het vermogen, dat beschikbaar dient te zijn om de kosten van eeuwigdurende nazorg te dekken. Als een stortplaats zich nog in de exploitatiefase bevindt dan worden aan de exploitant heffingen opgelegd totdat het definitieve doelvermogen is bereikt. In deze fase loopt de provincie een debiteurenrisico (de exploitant is niet in staat om de opgelegde heffingen te betalen).

Na sluiting van de stortplaats loopt de provincie het risico dat de nazorgkosten gedeeltelijk moeten worden betaald uit provinciale middelen door:

  • Een afwijkende ontwikkeling van de rendementen, waardoor de heffingen te laag zijn en er onvoldoende vermogen wordt opgebouwd; periodiek laat Zuid-Holland onderzoeken of de rekenrente in lijn is met de feitelijke / verwachte vermogensontwikkeling (de rekenrente dient als basis voor de aan de exploitanten op te leggen heffingen);

  • Technische onvolkomenheden als gevolg van falende voorzieningen;

  • Een toe- of afname van de nazorgkosten als gevolg van prijsontwikkelingen en gewijzigde milieueisen.

Impact

Uit een eind 2012 uitgevoerde studie is gebleken dat de rendementsverwachting achterblijft bij eerdere ramingen. Op basis hiervan heeft het bestuur van het Fonds besloten de rekenrente te verlagen. Als gevolg van de lagere rekenrente zijn de doelvermogens gestegen. Deze stijging wordt voor nog niet overgedragen stortplaatsen bereikt door een verhoging van de heffingen (vastgelegd in de tarieventabellen die worden vastgesteld bij de begroting van het Fonds Nazorg) en voor de inmiddels aan de provincie overgedragen stortplaatsen door het treffen van een voorziening. Deze voorziening heeft per ultimo 2014 een stand van € 8,3 mln.

De risico's worden op deze wijze beheerst en de kans dat alsnog een beroep moet worden gedaan op provinciale middelen wordt vooralsnog dan ook ingeschat als nihil.

Wel kan de provincie mogelijk een debiteurenrisico lopen als gevolg van de verhoging van de heffingen.

De kans hierop wordt echter vooralsnog als nihil ingeschat. De maximale impact ten aanzien van de nog niet overgedragen stortplaatsen wordt ingeschat op € 21,2 mln (dit betreft een situatie waarin de provincie de financiële verantwoordelijkheid voor de exploitatie over zou moeten nemen). De kans van optreden van dit risico wordt eveneens als nihil ingeschat.

Maatregelen

Getroffen voorziening, verhogen van de heffingen en monitoren van het risico

Status

De kans van optreden van dit risico wordt als nihil beschouwd en wordt daarom ook vanaf de Jaarrekening 2015 niet meer opgenomen in de paragraaf weerstandsvermogen. Als er ontwikkelingen zijn waardoor de kans van optreden van het risico toeneemt, zal het risico weer worden opgenomen.

16.

Risico's PMR - 750 ha natuur en recreatie

Omschrijving

De uitvoeringskosten uitwerkingsovereenkomst PMR: risico's doen zich voor bij de ontwikkelingen van de grondprijzen. Op dit vlak zijn er de algemene ontwikkelingen van de prijzen, daarnaast zijn ook de onderhandelingen tussen verkopende en kopende partij van invloed op de prijs. Een ander risico is de doorlooptijd van het project: op het moment dat het oprichten van de Gebiedscoöperatie vertraagt, zullen de projectmanagementkosten hoger worden als gevolg van deze langere doorlooptijd.

Impact

De impact van dit risico hangt af van de mate waarin zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Op basis van een inschatting van de financiële risico's wordt de omvang van de post onvoorzien periodiek bijgesteld.

Maatregelen

De provincie voert het PMR-project 'Buijtenland van Rhoon' voor eigen rekening en risico uit. Hiervoor is een taakstellend budget beschikbaar. De financiering van het project is gedekt door de gezamenlijke PMR-partners en vastgelegd in de UWO PMR 750 ha. De bijdrage van Zuid-Holland bedraagt € 9 mln, de stadsregio Rotterdam draagt € 18 mln bij en het Rijk € 112 mln. In geval van onvoorziene omstandigheden (zoals excessieve grondprijsstijgingen) kan de provincie in overleg treden met het Rijk (op grond van art. 12 van de UWO). Om de financiële risico's goed te beheersen wordt risicomanagement toegepast. Met behulp van een (financiële) business case is inzichtelijk gemaakt wat mogelijke meerkosten zouden kunnen zijn als deze risico's zich voordoen. De verwachtingswaarde van mogelijke meerkosten, volgend uit het financieel risicoprofiel, vormt de onderbouwing van deze post in de business case van het project (over de gehele looptijd tot en met 2021). De totale omvang van het risico bedraagt € 15,3 mln. Mocht de verwachtingswaarde stijgen dan zal de omvang van het risico daarop worden aangepast. Mocht uit nieuwe ontwikkelingen blijken dat het taakstellend budget overschreden wordt, dan dienen er beheersmaatregelen getroffen te worden (zoals besparen op andere kostenposten of zoeken van andere geldbronnen).

Status

Het project zit in de uitvoeringsfase en loopt tot en met 2021.

Eind 2013 is een motie door de Tweede Kamer aangenomen met als doel te zoeken naar meer draagvlak voor de plannen. Met instemming van het Rijk (staatssecretaris Dijksma) heeft oud-minister Cees Veerman in juni 2014 geadviseerd het plan inhoudelijk bij te stellen (minder natte natuur). De (ruimtelijke) kaders (PKB, BP) en hoofddoelen blijven intact. Ook stelt hij voor een (nog in te stellen) gebiedscoöperatie het plan te laten uitvoeren. Zijn advies heeft breed draagvlak bij de betrokken overheden (inclusief gemeente). In de tweede helft van 2015 is de commissie aan de slag gegaan om de gebiedscoöperatie vorm te geven. Deze nieuwe aanpak voor het Buijtenland van Rhoon heeft aanzienlijk meer tijd gekost dan was voorzien en bevat veel risico's. De risico's zijn in beeld en hebben de juiste beheersmaatregelen. De kwartiermakers zijn bezig met gesprekken met stakeholders om tot een advies te komen voor een gebiedscoöperatie. Het tempo voor het realiseren van de gebiedscoöperatie wordt in hoge mate bepaald door de medewerking van enkele belangrijke stakeholders.De tijdscope komt daarmee in gevaar (2021). ln de brief van de staatssecretaris is hiervoor een escape geformuleerd. De staatssecretaris heeft hierin gevraagd naar een uitgewerkt voorstel voor een gebiedscoöperatie inclusief een actualisering van de projectplanning.

17.

Deelnamerisico ROM-D Capital BV

Omschrijving

De provincie neemt met € 10 mln deel in ROM-D Capital BV, het publiek investeringsfonds van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Drechtsteden. Besluitvorming hierover is in 2012 afgerond. De daadwerkelijke storting van dit bedrag is eind december 2012 gebeurd. Door deze kapitaalinbreng heeft de provincie aandelen in ROM-D Capital verworven. Het financiële risico voor de provincie is gelegen in waardevermindering van de aandelen. ROM-D Capital BV heeft (op termijn) een revolverend karakter. Dit houdt in dat het initiële vermogen ten minste in stand dient te blijven. Er worden alleen projecten gefinancierd waarvan op basis van een business case kan worden aangetoond dat deze op termijn winst of meerwaarde genereren. Om continuïteit te waarborgen en het weerstandsvermogen te versterken wordt op de lange termijn een gematigd (gemiddeld) rendement op de projecten nagestreefd van 3%. Gerealiseerde rendementen blijven binnen de vennootschap beschikbaar. Kerntaak van de ROM-D is het ontwikkelen en herstructureren van bedrijventerreinen. De andere deelnemers in ROM-D Capital BV zijn naast de provincie de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden en de gemeente Dordrecht.

Impact

ROM-D Capital BV stelt werkkapitaal beschikbaar aan werkmaatschappijen (de CV's). ROM-D Capital BV zal in het algemeen geen (extra) zekerheidstelling vragen en accepteert daarmee een hoger risicoprofiel dan private marktpartijen. Binnen de projectportefeuille wordt het vereveningsprincipe gehanteerd: winsten en verliezen op de projecten worden gesaldeerd. Het maximale risico voor de provincie is dat de aan een of meer CV's door ROM-D Capital beschikbaar gestelde gelden (deels) verloren gaan. Het maximale risico is gelijk aan het gestorte aandelenkapitaal in ROM-D Capital BV (€ 10 mln).

Maatregelen

Tot de beheersmaatregelen die zijn getroffen om de risico's zoveel mogelijk te beperken, behoort onder andere het in Drechtstedenverband vastgelegde uitgangspunt dat projecten budgettair neutraal overgaan van de betreffende gemeente naar ROM-D. Het risico voor ROM-D is dus in beginsel beperkt. Voor een aantal van deze projecten zal aan ROM-D Capital BV worden gevraagd om een bijdrage in het werkkapitaal. Dan bepaalt de provincie als aandeelhouder in ROM-D Capital BV mee waarvoor de middelen zullen worden ingezet.

De aandeelhouders besluiten naar aanleiding van een advies van een onafhankelijk Investment-committee, dat weer adviseert op basis van een sluitende business case.

Verder wordt de financiële stand van zaken periodiek beoordeeld op basis van de jaarrekening van de ROM-D (deze wordt vastgesteld door de aandeelhouders van de ROM-D, waaronder ook Zuid-Holland). Om het risico van waardedaling van de aandelen af te dekken is een reserve voor waarderingsverschillen gevormd..

Status

Het betreft hier een doorlopend risico dat mede gerelateerd is aan economische ontwikkelingen. In ROM-D Capital bevinden zich in 2014 vijf projecten, met uiteenlopende rendementen. In het accountantsverslag 2014 is voor 2014 evenals voor 2013 opnieuw een negatieve waardeontwikkeling geconstateerd van de aandelen. Oorzaak van de waardedaling is de afwaardering van de grondwaarde. Gebleken is dat de uitgifte van terreinen, tegen de gevraagde prijs, onvoldoende verloopt. Bij een vertraagde uitgifte nemen de rentekosten toe ten opzichte van de raming terwijl de bedrijfsvoeringskosten relatief hoog zijn. Dit brengt met zich mee dat de waarde van de provinciale deelnemingen in de ROM-D in 2014 (verder) in waarde zijn gedaald. Het is nog te vroeg om te spreken van een structurele waardedaling, maar het heeft wel onze aandacht. Op dit moment heeft onze deelneming in de ROM-D een waarde van € 8,5 mln. Om waardevermindering op te vangen is er tot nu toe een risicoreserve voor de ROM-D van € 1,1 mln opgebouwd.

Bij diverse aandeelhouders van de ROM-D leeft de wens om de inzet van de ROM-D te herijken. Hierover worden gesprekken gevoerd. Ten behoeve van deze gesprekken heeft de provincie het voornemen om, bij voorkeur samen met overige aandeelhouders, dit risico en de waarde alsmede de structurele waardeontwikkeling te laten analyseren.

18.

Deelnamerisico InnovationQuarter

Omschrijving

De provincie neemt, samen met het ministerie van Economische Zaken, de gemeenten Rotterdam, Den Haag, Delft, Leiden, Westland en de Zuid-Hollandse universiteiten en medische centra deel in InnovationQuarter. De organisatie bestaat uit twee entiteiten: de ROM InnovationQuarter B.V. en de Participatiemaatschappij InnovationQuarter BV. De Participatiemaatschappij BV is een 100% dochter van de ROM BV. Het kapitaal dat door de aandeelhouders in de ROM InnovationQuarter BV is gestort, wordt volledig aangewend voor het (revolverende) participatiefonds.

De provincie heeft de storting in de eerste fase van € 10 mln in december 2013 verricht. In de tweede fase is een storting voorzien van € 15 mln (naar verwachting in 2016). De provincie verkrijgt door haar kapitaalinbreng aandelen in de ROM InnovationQuarter BV. Voorwaarde voor deelneming in de ROM BV is dat de provincie nooit meer kosten zal maken dan de investering groot is. Om dit te beheersen zal de provincie conform staand beleid geen meerderheid van de aandelen bezitten (maximaal 49,99%). Het startkapitaal van de ROM BV bedraagt € 27,7 mln. Daarvan is de provincie voor 36,1% aandeelhouder

(€ 10 mln). Waardevermindering van de aandelen is een risico voor de provincie.

Impact

Het maximale risico is € 10 mln per 2020.

Maatregelen

In de beginfase zullen de kosten van de Participatiemaatschappij InnovationQuarter B.V. niet gedekt kunnen worden door de opbrengsten, omdat in deze opbouwperiode rendement uit investeringen nog beperkt zal zijn. Het uitgangspunt is dat het fonds in meerjarig perspectief revolverend moet zijn. Daarbij is in de aandeelhoudersinstructie (die doorwerkt via de Statuten) een termijn van 7 jaar afgesproken (2020) met een tussentijdse evaluatie in 2016.

De aandeelhouders van InnovationQuarter hebben als eis gesteld dat de Participatiemaatschappij van InnovationQuarter in meerjarig perspectief de koopkracht van het vermogen in stand moet houden. Dat betekent concreet dat over een meerjarenperspectief het rendement zodanig moet zijn dat, na aftrek van apparaatskosten van de Participatiemaatschappij, (tenminste) de inflatie 'verdiend' moet zijn. Daarmee zal de waarde van de aandelen ook in stand worden gehouden. Dit is in de praktijk een ambitieuze doelstelling. Door professioneel fonds- en investeringsmanagement zullen de risico's zo goed als mogelijk worden ingezet en worden beheerst. Ook bevat de aandeelhoudersinstructie een bepaling dat een deel van het kapitaal in het participatiefonds buiten de primaire doelgroep geïnvesteerd mag worden, bijvoorbeeld om MBO / MBI's (Management Buy Outs / Ins) te financieren. Deze investeringen hebben een lager risicoprofiel en daarmee meer zekerheid op rendement.

In principe worden de investeringen in de jaarrekening (en periodieke rapportages) van InnovationQuarter gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs. Daarnaast wordt periodiek beoordeeld door InnovationQuarter of er aanwijzingen zijn dat een investering aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kan zijn. Indien dergelijke indicaties aanwezig zijn, wordt een voorziening vastgesteld. De voorziening wordt bepaald op basis van de International Private Equity and Venture Capital Investor Reporting Guidelines (IPEV). De kosten van de voorziening wordt direct als een last verwerkt in de winst- en verliesrekening.

Overigens heeft de waardering tegen verkrijgingsprijs (of lagere waarde) tot gevolg dat ongerealiseerde waardestijgingen niet in de cijfers tot uitdrukking komt. De ambitie van InnovationQuarter is dat in de toekomst in de jaarrekening informatie wordt opgenomen van de ongerealiseerde waardestijgingen omdat het uiteindelijk rendement pas zichtbaar is na een periode van 7 à 8 jaar vanaf het moment deelname.

Met bovenstaande zal door InnovationQuarter periodiek inzicht worden gegeven in de waardeontwikkeling van de investeringen van InnovationQuarter en daarmee ook de waarde van de aandelen van InnovationQuarter zelf.

Om het risico van waardedaling van de aandelen af te dekken heeft de provincie een reserve voor waarderingsverschillen gevormd. De reserve wordt verder opgebouwd tot een maximale omvang van 40% van het feitelijk verstrekte kapitaal.

Status

Om te bepalen wat het risico van deze investering is wordt er in 2016 een risicoanalyse uitgevoerd. Dan zal duidelijk worden of het hier een doorlopend hoog risico of laag risico betreft. Op basis van de analyse zal ook de kans van optreden worden bepaald en de te nemen beheersmaatregelen. Vooruitlopend hierop is er op dit moment een reserve IQ van € 4,7 mln om eventuele waardevermindering in de toekomst op te vangen. In 2016/2017 is de 2e storting van € 15 mln voorzien.

19.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland staat in een aantal gevallen garant voor de rente en aflossing van door derden afgesloten geldleningen. Het betreft garantstellingen op het terrein van de gezondheidszorg. Er is sprake van een geleidelijke afbouw van de portefeuille gewaarborgde geldleningen vanwege de aflossing van de geldleningen en vanwege tussentijdse conversies van leningen waarbij de provinciale borgstelling komt te vervallen.

Impact

De te lopen maximale schade bedraagt eind 2015 € 3,1 mln. Voor een groot deel van dit bedrag zijn hypothecaire zekerheden bedongen die kunnen worden uitgewonnen indien de provincie als borg wordt aangesproken. De kans van optreden van dit risico wordt dan ook laag ingeschat.

Maatregelen

Er worden geen nieuwe garanties meer verstrekt aan zorginstellingen. 100% van door de provincie gewaarborgde instellingen is aangesloten bij het Waarborgfonds voor de zorgsector.

Status

De komende jaren worden de garantstellingen verder afgebouwd. Naar verwachting zijn alle garanties in 2024 volledig afgebouwd.

20.

Onvoldoende solvabiliteit / liquiditeit regionale omroepen

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland heeft aan Omroep West en RTV Rijnmond in 2004 een achtergestelde lening verstrekt. Omdat het hier achtergestelde leningen betreft, bestaat er een zeker risico dat de leningen niet (geheel) zullen worden terugbetaald in geval van faillissement van een of beide omroepen. De lening aan Omroep West bedroeg € 4,5 mln en aan RTV Rijnmond € 2,5 mln. In de leningovereenkomst van Omroep West is opgenomen dat de lening vanaf 2007 wordt afgelost in tien jaarlijkse termijnen, waarbij de eerste twee termijnen minimaal € 0,3 mln per jaar bedragen en de daarop volgende termijnen minimaal € 0,5 mln per jaar.

In de leningovereenkomst van RTV Rijnmond is opgenomen dat de lening wordt afgelost vanaf 2008 (eveneens in tien jaarlijkse termijnen van ten minste € 0,3 mln).

Impact

De maximale impact (openstaande schuld) bedraagt ultimo 2015 € 0,52 mln. Voor omroep West bedraagt de resterende aflossingstermijn € 0,25 mln (per 1 juli 2016). Voor Omroep RTV Rijnmond bedragen de twee resterende aflossingstermijnen in totaal € 0,28 mln (per 1 juli 2016 en per 1 juli 2017).

Maatregelen

De financiële positie en liquiditeitspositie van de regionale omroepen worden door middel van periodieke rapportages gemonitord.

Status

Als gevolg van recentralisatie van de zorgplicht voor de regionale omroepen door het Rijk is de subsidierelatie met de beide regionale omroepen West en Rijnmond per 1 januari 2014 beëindigd. De recentralisatie heeft geen juridische consequenties voor de status van de leningovereenkomst. Gelet op de financiële positie van beide instellingen wordt verwacht dat de resterende leningen volledig zullen worden afgelost.

21.

Herinrichting Meeslouwerplas

Omschrijving

Op 26 augustus 2009 is de 'Basisovereenkomst' tussen BAM Wegen regio west BV en de provincie Zuid-Holland ondertekend. De basisovereenkomst heeft betrekking op de volgende zes projecten, samen 'het Werk' genoemd en in het vervolg als project Meeslouwerplas aangeduid:

  • Het verondiepen van de Meeslouwerplas (c.q. het herstel van de instabiele oevers);

  • Het herinrichten van de oevers;

  • Het realiseren van het krekengebied;

  • Het verduurzamen van de eilanden tussen Meeslouwerplas en de recreatieplas;

  • Het realiseren van twee geluidwerende voorzieningen;

  • Bouw nieuwe brug ter vervanging van de Bailey-brug.

De ondertekening van de basisovereenkomst in augustus 2009 vormde de officiële start voor de uitvoeringsfase. Voor de doorlooptijd van het project wordt uitgegaan van tien jaar. De belangrijkste risico's van het project herinrichting Meeslouwerplas zijn:

  • Het project levert niet genoeg geld op;

  • Er komt binnen de termijn van tien jaar onvoldoende kwalitatief goede grond beschikbaar;

  • BAM stopt met de uitvoering van het project;

  • Het verondiepingswerk loopt vertraging op als gevolg van minder aanbod van bagger en grond.

Impact

Indien deze risico's werkelijkheid worden kan dat de volgende consequenties hebben:

  • In de worst-casesituatie wordt de voorinvestering van de provincie in de ophaalbrug en de compensatie van Recreatiecentrum Vlietlanden van in totaal € 1,8 mln niet terugverdiend en moet de provincie met andere maatregelen de oeverveiligheid realiseren;

  • Daarnaast is het mogelijk dat het project niet de afgesproken financiële opbrengst voor provincie Zuid-Holland oplevert (€ 2,6 mln + indexering) waardoor geen verdere investeringen in de recreatieve en ecologische kwaliteit van het gebied kunnen worden gedaan.

Maatregelen

In het kader van de basisovereenkomst met de BAM is de BAM aangesproken op het nakomen van gemaakte afspraken. Dit moet leiden tot herbevestiging van deze afspraken, inclusief planning en provinciale opbrengsten van het verondiepingsproject. Totdat hierover duidelijkheid is doet de provincie geen verdere investeringen in het project.

22.

Noodzakelijk beroep op aansprakelijkheidsverzekering

Omschrijving

De provincie heeft een aansprakelijkheidsverzekering gesloten bij Centraal Beheer/Achmea voor vermogensschade en voor personen- en zaakschade. De aansprakelijkheidsverzekering wordt elk jaar stilzwijgend verlengd met een termijn van één jaar. De verzekerde som voor vermogensschade bedraagt € 2,5 mln per schadegeval (totaal per jaar: maximaal € 5 mln, eigen risico is € 12.500 per schadegeval). De verzekerde som voor personen- en zaakschade bedraagt € 5 mln per schadegeval (totaal per jaar: maximaal € 10 mln, eigen risico: € 5.000 per schadegeval).

Impact

De provincie kan te maken krijgen met een toegenomen claimbewustheid van burgers en het bedrijfsleven; belanghebbende partijen weten steeds beter de schade op de overheid te verhalen. Het risicoprofiel van de provincie is gunstig. Het aantal claims is beperkt. De hoogte van het meerjarig claimbedrag vertoont geen substantiële stijging. De omvang van de claims is voor het merendeel lager dan € 100.000. De claims hebben in de meeste gevallen betrekking op materiële risico's. Overschrijding van de dekking heeft niet plaatsgevonden. Per claim wordt beoordeeld of deze onder de voorwaarden van de aansprakelijkheidsverzekering valt.

Maatregelen

Het provinciale verzekeringsbeleid is vastgesteld. Adequate besluitvormingsprocedures, juridische controle, functiescheiding en interne controlemaatregelen maken deel uit van dit beleid.

Status

Een aantal lopende ontwikkelingen met betrekking tot claims worden in deze paragraaf apart toegelicht (zie risico's 3, 13 en 33). Voor het overige zijn er geen andere ontwikkelingen bekend, die vermeldenswaardig zijn voor de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing.

23.

Indexatiekloof Openbaar Vervoer

Omschrijving

De provincie is opdrachtgever voor Openbaar Vervoer (OV) in Zuid-Holland. Door de introductie in 2013 van de Landelijke Bijdrage Index (LBI) in combinatie met het besluit van het ministerie van Infrastructuur & Milieu om vanaf 2014 geen forfaitaire index meer toe te kennen aan de Brede Doeluitkering (BDU) voor de decentrale overheden is er een structurele indexatiekloof ontstaan tussen baten en lasten voor OV. Vanaf 2016 bestaat de rijksbijdrage BDU niet meer voor provincies. De rijksbijdrage voor mobiliteit komt vanaf 2016 via het Provinciefonds binnen als decentralisatieuitkering en zal naar verwachting met ingang van 2017 deel gaan uitmaken van de algemene uitkering. Onzeker is of de fluctuaties in het accres zullen zorgen voor oplossing van dit probleem. De lijn van de huidige coalitie is geen compensatie van budgetten toe te passen zodat bij ongewijzigd beleid aan de uitgavenkant de indexatiekloof steeds groter zal worden.

Impact

Bij alle Zuid-Hollandse concessies en contracten in het kader van openbaar vervoer is contractueel afgesproken te indexeren. De recenter verleende concessies worden geïndexeerd conform de LBI. De indexatiekloof die is ontstaan is structureel en oplopend. Vanaf 2018 ontstaat een structureel tekort wat incidenteel kan worden opgevangen maar vanaf 2021 is dat niet meer mogelijk bij gelijkblijvende inkomsten (dus zonder indexatie) en een indexpercentage van 2% voor de LBI (gebaseerd op de laatst bekende index die is gebruikt voor de begrotingscijfers Mobiliteit voor 2016).

Maatregelen

Ontstane tekorten kunnen nog tot medio 2021 worden gedekt binnen de Reserve Mobiliteit en de OVP BDU mits de reservering voor dit doel in stand blijft. Als deze middelen op langere termijn ontoereikend blijken te zijn dan zullen maatregelen genomen moeten worden om in het tekort te voorzien. Denkbare maatregelen (al dan niet in combinatie te nemen) zijn: aanvullende dekking organiseren, lopende en toekomstige contracten bijstellen en het voorzieningenniveau aanpassen. Een geschikt moment hiervoor kan zijn de aanbesteding van de concessie DAV, medio 2018.

Status

In 2015 is €0,8 mln van de OVP BDU omgezet om deze indexatiekloof voor 2015 op te vangen.

24.

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

Omschrijving

De inlenersaansprakelijkheid is gebaseerd op art. 34 van de Invorderingswet. Deze houdt in dat in sommige gevallen de inlener van personeel aansprakelijk kan zijn voor de loon- en omzetbelasting die door de uitlener (bijvoorbeeld een uitzendbureau) niet is afgedragen. Mocht bijvoorbeeld in geval van een faillissement het uitleenbedrijf nog een schuld hebben aan de Belastingdienst, dan kan de fiscus dat bedrag verhalen op bedrijven of instellingen waar het uitgeleend personeel heeft gewerkt.

De inlenersaansprakelijkheid geldt niet bij diensten die een ZZP'er voor Zuid-Holland verricht, zonder dat er een andere organisatie (zoals een uitzendbureau) tussen zit.

Impact

In de Aanbestedingswet 2012 is een beperking opgenomen voor eisen aangaande financiële zekerheid. Door deze beperking kan sprake zijn van een licht verhoogd risico ten opzichte van eerdere omstandigheden. Tot op heden zijn bij de provincie geen claims opgelegd met betrekking tot de inlenersaansprakelijkheid.

Met ingang van 1 juli 2015 en ingaande 2016 is de nieuwe wet Aanpak schijnconstructies van toepassing. Deze wet regelt dat een werknemer, indien hij niet betaald wordt volgens de wet, verhaal kan halen hogerop in de keten. Dit kan bij grotere bouwprojecten ook gevolgen hebben voor provincie Zuid-Holland.

De leveranciers waar provincie Zuid-Holland mee werkt, worden regelmatig gescreend, maar niet elke branche kent een certificeringssysteem. Daarnaast moet een ieder zich aan de wet houden. Een restrisico blijft echter altijd aanwezig, omdat onze leveranciers / aannemers weer met onderleveranciers / aannemers werken. Daarnaast zijn er zeer veel losse arbeidsverbanden die ook nog inhoudelijk sterk kunnen verschillen. In eerste instantie ligt het risico bij onze leverancier maar als deze om diverse redenen failleert, bestaat er een risico voor de provincie. Voor de bepaling van het risico wordt uitgegaan van een maximale schade van 1% van de totale inleen per jaar (1% van € 25 mln is € 0,25 mln) en een zeer lage kans van optreden van 0-25%.

Maatregelen

De aansprakelijkheid is niet voor 100% af te dekken. Wel worden de volgende maatregelen genomen om het risico te beheersen:

  • Werken met erkende en/of gecertificeerde bedrijven;

  • Sluiten van goede raamcontracten waarbij bijvoorbeeld ook gekeken wordt naar de liquiditeitspositie van betreffende ondernemingen;

  • Hanteren van uitsluitend de provinciale inkoopvoorwaarden;

  • Tools voor screening van bedrijven.

Vooralsnog wordt er geen depotstelsel ingevoerd als maatregel om het risico te beheersen. Redenen hiervoor zijn de forse administratieve lasten van deze maatregel in relatie tot het te verwachten effect van de hierboven genoemde maatregelen.

Status

Er zijn in het afgelopen jaar geen claims ontvangen met betrekking tot inlenersaansprakelijkheid.

25.

Doorlevering gronden aan TBO's

Omschrijving

De Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters (VGG) heeft een klacht ingediend bij de Europese Commissie met als strekking dat de subsidies die eerder zijn verstrekt in het kader van de grondverwerving door terreinbeherende organisaties (de landelijke subsidieregeling PNB en voorgangers en zijn provinciale tegenhangers) in strijd zou zijn met de EU-regelgeving inzake staatssteun. Voor Zuid-Holland gaat het om subsidies die verstrekt zijn aan het Zuid-Hollands Landschap en Natuurmonumenten.

Impact

Als de Europese Commissie oordeelt dat sprake is van onverenigbare staatssteun, dan zal geëist worden dat het Rijk (naar nationaal recht) een bedrag terugvordert dat kan variëren van circa € 0,2 mld (bij geoorloofde staatssteun) tot € 1,2 mld (bij ongeoorloofde staatssteun). Het Rijk zal deze vordering mogelijk deels neerleggen bij de provincies (als uitvoerders van de provinciale regelingen en sinds 2007 ook van de PNB-regeling). Het is niet bekend hoe de vordering verdeeld zal worden over de provincies. Rijk en de provincies kunnen het 'steunbedrag' vorderen bij de TBO's.

Dit zal grote financiële maar ook beleidsmatige consequenties hebben voor de continuïteit en kwaliteit van de taakuitoefening op het gebied van natuurbeheer.

Maatregelen

Conform de vastgestelde Nota Beheer EHS (2013) verkoopt de provincie Zuid-Holland natuurgronden tegen een marktconforme prijs, voor zover de provincie deze zelf in eigendom heeft of krijgt. Anders gebeurt de verwerving direct door de terreinbeheerder zelf, met een latere subsidie voor afwaardering op basis van een door de Europese Commissie goedgekeurde subsidieregeling. In beide gevallen wordt voor toekomstige situaties voldaan aan de EU-richtlijnen inzake staatssteun.

Status

De Europese Commissie (EC) is een onderzoek gestart. Het ministerie van Economische Zaken is verantwoordelijk voor de landelijke reactie naar de EC. Naar aanleiding van de behandeling van de klacht heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) samen met de beheerders nieuw beleid ontwikkeld dat regelt dat de provincie alle gronden binnen de EHS middels een openbare procedure verkoopt tegen natuurwaarde op basis van de getaxeerde waarde. In bepaalde gevallen zijn uitzonderingen mogelijk. Het nieuwe beleid betekent dat eenieder conform de wens van de vereniging nu voor eigendom en beheer van de restantopgave van de EHS in aanmerking komt. Inmiddels heeft de provincie de VGG een brief gestuurd waarin het beleid van de provincie is uiteengezet. De Vereniging heeft ingestemd met het beleid van de provincie Zuid-Holland. Bij twijfelgevallen wordt de provinciale gesprekspartner Hollands Particulier Grondbezit (HPG) betrokken. Vanwege het geringe risico is de verwachting dat dit risico niet in de Begroting 2017 wordt opgenomen.

26.

Meerkosten als gevolg van onverwachte incidenten in het areaal

Omschrijving

Het risico kan als volgt worden omschreven:

Schades met grote financiële gevolgen door bijzondere incidenten in het areaal. Mogelijke voorbeelden zijn grote schades door bijvoorbeeld aanvaringen (die verzekeringsmaxima te boven gaan) of schade aan derden als gevolg van bezwijken van oeverconstructies.

Impact

Bij bijvoorbeeld incidenten met grote schade, waarbij de kosten het maximaal verzekerde bedrag te boven gaan. Bij het bezwijken van oeverconstructies kunnen derden schade oplopen aan hun bouwwerken die zich op de oevers bevinden. De ontstane schade kan niet uit het reguliere onderhoudsbudget worden bekostigd (de herstelwerkzaamheden aan het areaal zelf zullen wel zoveel mogelijk uit reguliere budgetten worden bekostigd).

Maatregelen

Uit een eerste onderzoek blijkt dat het vrijwel onmogelijk is om de kwantificering van kans en impact voor onverwachte incidenten te bepalen. In 2016 wordt nagegaan bij soortgelijke organisaties (RWS, provincie, waterschap etcetera) hoe zij deze risico's kwantificeren.

Status

-

27.

Ontwikkeling loonkosten (stijging werkgeverslasten en CAO)

Omschrijving

De kans bestaat dat de loonkosten stijgen als gevolg van exogene factoren. Het betreffen wijzigingen in de percentages van de pensioenpremie en wijzigingen in diverse grondslagen en premies, bijvoorbeeld met betrekking tot WAO/WIA, zorgverzekeringswet, werkgeversbijdrage IPAP en levensloop (de zogenaamde werkgeverslasten). De provincie is verplicht deze wettelijke percentages toe te passen. In de afgelopen jaren schommelde het percentage voor de stijging van de werkgeverslasten tussen de 1,5% en 2%. Afspraken over een nieuwe CAO (op 31-12-2015 liep de vorige CAO af) zullen eveneens een kostenverhogend effect hebben op de loonkosten.

Impact

Uitgaande van 2% stijging werkgeverslasten bedraagt het financiële risico, op basis van het totaal aan vaste loonkosten 2015, € 2,2 mln.

Uitgaande van een structurele loonstijging van 1% (dit is gelijk aan de huidige inflatie) bedraagt het financiële risico van een nieuwe CAO € 1,1 mln.

Maatregelen

In het Hoofdlijnenakkoord 2015-2019 is opgenomen dat alle budgetten de nullijn volgen. Indien de loonkostenontwikkeling (substantieel) hoger wordt dan tot op heden voorzien, dient dit te worden opgevangen in de ontwikkeling van het accres van het Provinciefonds. In alle andere gevallen zal tot een integrale afweging binnen het financieel kader worden overgegaan.

Status

Voor wat betreft de stijging van de werkgeverslasten is het een jaarlijks terugkerend, exogeen risico. De loonstijging als gevolg van CAO-afspraken is afhankelijk van de concrete afspraken en de looptijd.

De werkgeverslasten zijn in 2015 gedaald met 2,16%. Omdat premies niet altijd verschuldigd zijn over het gehele salarisbedrag is de effectieve daling slechts 0,57%. In absolute bedragen is het € 0,5 mln verlaging als gevolg van lagere premies en € 0,6 mln verhoging op basis van het CAO effect in 2015.

In de Voorjaarsnota 2015 en de Begroting 2016 zijn de effecten van de CAO 2012–2015 verwerkt. Het effect betrof een loonsverhoging van 2% per januari en aanvullend 1% per 1 juli. Dit heeft geleid tot een effectieve structurele verhoging van 2,51% vanaf 2015 (€ 2,3 mln).

In het najaar 2015 zijn de CAO-onderhandelingen gestart, wat heeft geleid tot een nieuwe één-jarige CAO, die loopt tot 1-1-2017. Afgesproken is een structurele loonsverhoging van 2,2% per 1 april 2016.

28.

Risico's regeling Individueel Keuzebudget (IKB), bovenwettelijke verlofdagen

Omschrijving

De hoogte van de loonkosten kunnen worden beïnvloed door de invoering van het Individueel Keuzebudget.

Impact

De impact van het risico wordt bepaald door de wijze waarop de medewerkers gebruik gaan maken van de mogelijkheden van het IKB. De bovenwettelijke verlofuren worden toegevoegd aan de regeling en worden in principe uitbetaald. De medewerkers kunnen verlofuren kopen. Aangezien 2015 het eerste jaar van de regeling IKB was, zijn er nog geen ervaringsgegevens beschikbaar over het aantal medewerkers dat gebruik heeft gemaakt van dit recht. Dit zal dan leiden tot een stijging van de loonkosten. De totale waarde van de voormalige bovenwettelijke verlofuren die vanaf 2015 zijn uitbetaald bedroeg € 1,4 mln.

Maatregelen

De regeling zal worden gemonitord op gebruik.

Status

Het IKB is ingegaan op 1 januari 2015. In 2015 is in totaal € 0,24 mln aan verlofuren gekocht door de medewerkers. Een uitsplitsing naar het aantal gekochte bovenwettelijke verlofuren (IKB) en de overige gekochte uren is niet voorhanden.

29.

Uitbetalen obligaties uitgegeven in 1957 en 1959

Omschrijving

In 1957 en 1959 heeft de provincie Zuid-Holland obligaties uitgegeven. In de periode van 30 jaar na uitgifte was de provincie verplicht om rentecoupons te vergoeden. Dit is inmiddels niet meer actueel. Daarnaast kunnen de eigenaren van de obligaties aanspraak maken op de hoofdsom. Hieraan is geen maximale termijn gekoppeld. De gemiddelde hoofdsom van een obligatie wordt ingeschat op € 57,-. Het aantal uitgegeven obligaties bedraagt circa 8.000. In totaal gaat het om een bedrag van € 0,5 mln.

Impact

Verzoeken tot uitkering van de hoofdsom worden sporadisch ontvangen. Dat zou kunnen betekenen dat van veruit de meeste obligaties de hoofdsom is uitgekeerd. Dat kan echter niet met zekerheid worden gezegd, omdat niet bekend is van hoeveel obligaties de hoofdsom inmiddels is verzilverd. Veelal gaat het om erfgenamen die uit de inboedel van de overledenen aanspraak kunnen maken op verzilvering. In de periode 2007-2015 is een bedrag op de coupons van € 21.092 uitgekeerd. De maximale schade is berekend door het maximaal openstaande bedrag te verminderen met de in 2007-2015 uitgekeerde coupons en de voorziening premieleningen die is ingesteld om de verzilvering te kunnen dekken.

Maatregelen

Er is een voorziening voor de premieleningen 1957 en 1959. Stand voorziening ultimo 2015 op basis van de huidige cijfers bedraagt € 72.892.

Status

Verzoeken tot uitbetalingen worden in behandeling genomen.

30.

Sloopkosten voormalige provinciale bescherming bevolking (BB) bunker

Omschrijving

De provincie huurde tot 1999 van Staatsbosbeheer in de Coepelduinen in Noordwijk een bunker voor haar rol in de civiele verdediging (bescherming bevolking). De bunker is toen afgedekt, waarbij het ondergrondse deel in stand is gelaten. De provincie heeft zich verplicht dit deel op haar kosten te verwijderen, indien nieuwe regelgeving dit vereist.

Impact

De sloopkosten worden geraamd op € 0,5 mln.

Maatregelen

Niet van toepassing.

Status

Het risico dat alsnog het ondergrondse deel van de bunker moet worden verwijderd, is gering.

31.

Restitutie ontgrondingheffing

Omschrijving

Tot 1 januari 2009 werd aan de houders van vergunningen voor ontgrondingen een heffing opgelegd. De heffing was gebaseerd op de Ontgrondingenwet en de Heffingsverordening Ontgrondingen Zuid-Holland. Als gevolg van de wijzigingen van de Ontgrondingenwet is een aantal heffingsgrondslagen komen te vervallen en is ervoor gekozen geen nieuwe Heffingsverordening vast te stellen. De heffing werd opgelegd over de hoeveelheid oppervlaktedelfstoffen waarvoor vergunningen waren verleend. Op grond van art. 21f van de Ontgrondingenwet vindt op verzoek van heffingsplichtige teruggaaf van de heffing plaats als de vergunning wordt ingetrokken of in die zin wordt gewijzigd dat de toegestane hoeveelheid stoffen wordt verminderd. Er is nog een aantal winplaatsen in bedrijf waarvoor een heffing is opgelegd en betaald. Het is niet uitgesloten dat deze winplaatsen, om verschillende redenen, uiteindelijk minder stoffen zullen opleveren dan vergund. Na intrekking of wijziging van de vergunning, kan de heffingsplichtige aanspraak maken op teruggave van een deel van de betaalde heffing.

Impact

Er is per 1 januari 2015 één zandwinning in bedrijf waarvoor een heffing is opgelegd. De opgelegde heffing betreft circa € 0,09 mln. Bij teruggave van een deel van de heffing zal het naar verwachting gaan om een bedrag in de orde van maximaal € 0,09 mln.

Maatregelen

Bestaande vergunningen: 1

Toelichting: De vergunde hoeveelheid grondstoffen is een maximum. De vergunning houdt niet de verplichting in deze hoeveelheid stoffen daadwerkelijk te winnen. Indien de vergunninghouder verzoekt de vergunning in te trekken of de vergunde hoeveelheid te verminderen, moet dat verzoek op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden ingewilligd.

Nieuwe vergunningen: Geen.

Toelichting: Sinds 1 januari 2009 worden geen ontgrondingenheffingen meer opgelegd.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico.

32.

Ontwikkelingen bezuiniging op regionale omroepen

Omschrijving

Door de regionale omroepen RTV Rijnmond en Omroep West was er beroep ingesteld tegen het besluit van GS om de boekjaarsubsidies met ingang van 1 januari 2013 met € 1 mln (per regionale omroep) te verlagen. Dit besluit maakte deel uit van een breder pakket van bezuinigingsmaatregelen.

In het najaar van 2015 hebben de omroepen aangegeven niet meer verder tegen de provincie te procederen om deze bezuiniging ongedaan te krijgen. De grond voor de reserve is daarmee vervallen en zal bij de Jaarrekening 2015 vrijvallen naar de algemene middelen.

Impact

n.v.t.

Maatregelen

n.v.t.

Status

Zie omschrijving.

33.

Invoering omgevingswet

Omschrijving

Op 1 juli 2015 heeft de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Omgevingswet. Beoogde invoeringsdatum van de wet is eind 2018 en wordt naar verwachting op 15 maart 2016 in de Eerste Kamer behandeld. In het bestuursakkoord tussen Rijk, IPO, UvW en VNG d.d. 1 juli 2015 is afgesproken vooruitlopend op de invoering van de wet te werken aan de implementatieopgave, een impactanalyse uit te voeren en financiële onderzoeken te doen.

De Omgevingswet vervangt 26 wetten geheel of gedeeltelijk (bijvoorbeeld Wabo, Wro, Tracéwet) en is een kaderwet, nadere regelgeving wordt vastgelegd in vier Algemene Maatregelen van Bestuur. De wet gaat uit van het 'decentraal tenzij' principe en beoogt onder andere het stelsel beter en eenvoudiger te maken. Helder is dat de invoering van de wet de provincie incidenteel geld zal kosten en dat het baten moet opleveren voor de maatschappij (initiatiefnemers; burgers, bedrijven). De uitkomst van de financiële onderzoeken is samengevat in het 'syntheserapport'. Dit is onvoldoende robuust bevonden (BO 14 januari 2016) om tot een definitief beeld te komen.

Impact

Om de implementatie te kunnen realiseren is een eerste inschatting gemaakt van de transitiekostenkosten voor de provincie Zuid-Holland. In het bestuursakkoord is namelijk afgesproken dat decentrale overheden deze kosten zelf zullen dragen (bestuursakkoord 1 juli 2015). Het Rijk financiert de invoeringskosten. De transitiekosten worden ingeschat op € 6 mln incidenteel in de periode 2016-2019. Het betreft hierbij onder andere de bekostiging van digitaliseringsverplichtingen vanuit de omgevingswet en tijdelijke, extra formatie om de transitie te begeleiden zowel intern als in relatie tot de externe partijen.

Van de structurele kosten vanaf 2019 (en mogelijke opbrengsten) is momenteel nog geen inschatting te maken, ook omdat er nog geen definitief scenario is gekozen voor het digitale spoor. Het digitale spoor loopt tot in 2024. Het IPO pleit ervoor deze kosten in 2018 nader in beeld te brengen. Deze worden verdeeld via een nader te bepalen verdeelsleutel over de bestuurlijke partijen.

Maatregelen

Bij Voorjaarsnota 2016 en Kadernota / Begroting 2017 zal een voorstel worden gedaan voor dekking van de transitiekosten voor de provincie Zuid-Holland inclusief de extra bijdrage aan het IPO.

Ontwikkelingen in IPO-verband inzake afspraken met het Rijk over het in kaart brengen en verdelen van kosten tussen overheden worden op de voet gevolgd. Extra aandacht geldt hierbij voor de structurele kosten vanaf 2019.

Status

Zie hierboven