Financieel Beeld

 

 

 

2015

2014

Exploitatierekening

Lasten

- € 660 mln

- € 905 mln

Baten

€ 706 mln

€ 880 mln

Totaal saldo baten en lasten

€ 46 mln (v)

€ 25 mln (n)

Bijdragen uit reserves

€ 126 mln

€ 245 mln

Stortingen in reserves

- € 134 mln

- € 191 mln

Resultaat

€ 38 mln(v)

€ 29 mln (v)

Investeringen en onderhanden werk

Bruto investeringsuitgaven (onderhanden werk)

€ 202 mln

€ 206 mln

Netto investeringsuitgaven (onderhanden werk)

€ 95 mln

€ 93 mln

Algemene reserve

Stand per 1/1 na resultaatbestemming

€ 69 mln

€ 43 mln

Toevoeging jaarrekeningresultaat voorgaand boekjaar

29 mln

26 mln

Overige mutaties

- € 13 mln

€ 0 mln

Eindstand 31/12 voor resultaatbestemming

€ 85 mln

€ 69 mln

Programmareserves

Stand per 1/01

€ 360 mln

€ 413 mln

Mutaties

€ 21 mln

- € 53 mln

Eindstand 31/12

€ 381mln

€ 360 mln

Voorzieningen

Stand per 01/01

€ 35 mln

€ 35 mln

Mutaties

€ 0 mln

€ 0 mln

Stand per 31/12

€ 35 mln

€ 35 mln

Overlopende passiva met een specifiek bestedingsdoel:

Stand per 01/01

€ 270 mln

€ 298 mln

Bestedingen

€ 129 mln

€ 277 mln

Toevoegingen

€ 125 mln

€ 249 mln

Stand per 31/12

€ 266 mln

€ 270 mln

Economische en Monetaire Unie (EMU)-saldo

Referentiewaarde (norm)

- € 75 mln

- € 79 mln

Realisatie

- € 3 mln

- € 3 mln

Financiële kengetallen

Netto schuldquote

61,8 %

 

Netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

61,3 %

Solvabiliteitsratio

33,4 %

Grondexploitatie

0,3 %

Structurele exploitatieruimte

16,2 %

Belastingcapaciteit (tarief PZH t.o.v. gemiddelde)

116,9 %

In dit hoofdstuk volgt een toelichting op hoofdlijnen op de diverse onderdelen uit bovenstaand overzicht.

Rekeningresultaat

Het rekeningresultaat is € 37,8 mln voordelig. Bij Najaarsnota 2015 werd nog uitgegaan van een budgettair neutraal resultaat. Het uiteindelijke rekeningresultaat is daarmee € 37,8 mln hoger dan geprognosticeerd.

Resultaatbestemming

Provinciale Staten besluiten bij het vaststellen van de jaarstukken over de bestemming van het rekeningresultaat. In de regel wordt voorgesteld om het rekeningresultaat ten gunste van de algemene reserve te brengen. Bij Voorjaarsnota vindt vervolgens een integrale afweging plaats voor nadere bestemming van de middelen. Onderdeel van de integrale afweging bij Voorjaarsnota 2016 betreft het bestemmen van middelen waarvoor in 2015 of eerder wel juridische verplichtingen zijn aangegaan of bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, maar die nog niet tot uitvoering zijn gebracht. Ook de bestemming van decentralisatie-uitkeringen op basis van de september- en decembercirculaire maken hier deel van uit.

Net als vorig jaar rust er op basis van bestuurlijke afspraken een beklemming op de niet bestede middelen voor: Uitvoeringsprogramma Groen (UPG), Nationaal Natuur Netwerk (NNN), Participatie recreatieschappen en Programma Aanpassing stikstof PAS-N2000 beklemd. Daarnaast is in het Hoofdlijnenakkoord 2015-2019 opgenomen dat voor groen (NNN en UPG) en mobiliteit (infrastructuur en openbaar vervoer) het principe van een 'gesloten systeem' geldt. Voor mobiliteit was dit in de vorige collegeperiode ook het geval. Voor groen geldt dit met ingang van vaststelling van het Hoofdlijnenakkoord in mei 2015.

Om deze redenen heeft € 17,1 mln van het rekeningresultaat al een bestemming en is € 20,7 mln beschikbaar voor de integrale afweging bij Voorjaarsnota.

Beklemd deel rekeningresultaat (bedrage x € 1 mln):

 

Apparaatslasten - gedifferentieerd belonen

€ 0,3 mln

Groen, UPG en NNN (doel 1.3 t/m 1.5) – inclusief apparaatslasten € 0,3 mln

€ 4,4 mln

Mobiliteit (doel 2.1 t/m 2.3) – inclusief apparaatslasten € 2,2 mln

€ 4,5 mln

Regionale Economie / Bedrijventerreinen (doel 3.4)

€ 2,5 mln

Decentralisatie-uitkeringen Provinciefonds (doel 6.1)

€ 5,4 mln

Totaal

€ 17,1 mln

De beklemde posten zijn nader toegelicht bij onderstaande toelichting op het rekeningresultaat, waarbij de apparaatslasten afzonderlijk zijn toegelicht.

Toelichting rekeningresultaat

Op hoofdlijnen is het rekeningresultaat als volgt te specificeren.

Vrijval van programmareserves

€ 11,2 mln

Inkomsten Provinciefonds en opcenten

€ 6,2 mln

Apparaatslasten

€ 5,6 mln

Subsidie-afrekeningen jeugdzorg en regionale economie

€ 5,4 mln

Groen, UPG en NNN – exclusief apparaatslasten

€ 4,1 mln

Mobiliteit – exclusief apparaatslasten

€ 2,3 mln

Overige doelen en programma’s

€ 3,0 mln

Slechts een deel van het rekeningresultaat heeft gevolgen voor het eigen vermogen. Middelen die vrijvallen uit programmareserves (€ 11,2 mln) worden toegevoegd aan de algemene reserve en hebben daarmee geen invloed op de balanspositie van de provincie. Wel neemt het vrij besteedbare deel van de algemene reserve toe, waardoor deze middelen door Provinciale Staten kunnen worden ingezet voor andere doelen.

Een ander deel van het resultaat is veroorzaakt door exogene factoren. Vooral de inkomsten vanuit het Provinciefonds en de motorrijtuigenbelasting zijn (nagenoeg) niet direct beïnvloedbaar.

Het resultaat op de apparaatslasten betreft voor het grootste deel (€ 3,1 mln) loonkosten als gevolg van onder andere het niet kunnen invullen van vacatures door vaste medewerkers. Zie ook onderstaande toelichting op de apparaatslasten.

Tot slot zijn de budgetten van de beleidsprogramma's voor een deel niet aangewend. Dit heeft verschillende oorzaken. Eén van de oorzaken is verschuiving in jaarschijven. Dit is bijvoorbeeld aan de orde bij mobiliteitsprojecten en groenprojecten. Deze werkzaamheden worden later uitgevoerd (doorgeschoven prestaties). De middelen blijven via het zogenaamde 'gesloten systeem' voor deze doelen beschikbaar. Daarnaast wordt er regelmatig minder beroep gedaan op subsidieregelingen, of is er sprake van lagere eindafrekeningen van toegekende subsidies.

Bij de 3e W-vraag in de programmaverantwoording wordt per doel een nadere analyse gegeven van de verschillen tussen begroting na wijziging en de rekening. De belangrijkste verschillen, groter dan € 1 mln zijn hieronder kort toegelicht.

Belangrijkste verschillen die het rekeningresultaat hebben veroorzaakt (bedragen x € 1 mln):

1

Apparaatslasten (alle doelen) – deels beklemd, o.a. voor Groen en Mobiliteit

€ 5,6 mln

2

Groen, UPG en NNN (doel 1.3 t/m 1.5) - beklemd

€ 4,1 mln

3

Mobiliteit - (doel 2.1 t/m 2.3) - beklemd

€ 2,3 mln

4

Wabo en NSL (doel 2.4)

€ 1,6 mln

5

Voorziening Grondbank Zuidplas (doel 3.1)

€ 2,4 mln

6

Subsidie-afrekeningen regionale economie (doel 3.4) – deels beklemd

€ 3,4 mln

7

Subsidie-afrekeningen jeugdzorg (doel 4.3)

€ 2,0 mln

8

Provinciefonds (doel 6.1) – deels beklemd

€ 7,6 mln

9

Vrijval reserves transitie subsidies (doel 6.1)

€ 2,1 mln

10

Vrijval reserve frictie algemeen (doel 6.1)

€ 8,6 mln

11

Voorziening pensioenen GS (doel 6.1)

- € 1,8 mln

12

Inkomsten opcenten motorrijtuigenbelasting (doel 6.2)

- € 1,4 mln

13

Overige verschillen < € 1 mln

€ 1,3 mln

 

Totaal

€ 37,8mln

1. Apparaatslasten (€ 5,6 mln voordeel, waarvan € 2,9 mln beklemd)

De onderuitputting van de budgetten voor apparaatslasten is in totaal voor € 2,9 mln beklemd. Deze beklemming bestaat uit:

  • € 2,2 mln apparaatslasten mobiliteit;
  • € 0,3 mln apparaatslasten UPG en NNN;
  • € 0,3 mln gedifferentieerd belonen.

De apparaatslagen mobiliteit en UPG en NNN zijn beklemd als gevolg van de afspraak in het Hoofdlijnenakkoord dat voor deze doelen een 'gesloten systeem' geldt. De middelen voor gedifferentieerd belonen moeten op basis van afspraken met de bonden beschikbaar blijven voor gedifferentieerd belonen.

 
Loonkosten (€ 3,1 mln voordeel)

Het resultaat ten aanzien van de loonkosten is uitgekomen op een voordelig saldo van € 3,1 mln. Deze onderuitputting is voor een bedrag van € 0,3 mln veroorzaakt door het onderdeel gedifferentieerd belonen. Daarnaast zijn de vaste loonkosten met een bedrag van € 2,5 mln onderschreden als gevolg van onder andere het niet kunnen invullen van vacatures door vaste medewerkers. De oorzaak heeft ook een relatie met inhuur externe medewerkers, omdat er bewust voor is gekozen om niet in alle gevallen expertise zelf in huis te hebben. Voor incidentele projecten haalt de provincie specifieke expertise in huis in plaats van structurele formatie in te zetten. Daarnaast wordt niet in alle situaties de volledige werklast gedekt door de toegestane formatie, maar wordt gebruikgemaakt van een flexibele schil om capaciteitsbehoefte, die ontstaat bij pieken, op te vangen.

 
Personeelsgerelateerde baten en lasten (€ 1,4 mln voordeel)

Het voordelige resultaat op de personeelsgerelateerde baten en lasten is hoofdzakelijk het gevolg van vergoedingen voor detacheringen en UWV (totaal 0,8 mln voordeel). Verder is er minder uitgegeven voor vorming, training en opleidingen VTO (€ 0,6 mln voordeel)

 
Overige apparaatslasten (€ 1,1 mln voordeel)

Dit betreffen een teruggave van de waterschapsbelasting over de jaren 2012 en 2013 (€ 0,3 mln), daarnaast zijn uitgaven ten behoeve van onderzoeken lager uitgevallen (0,4 mln) en het resultaat op overige indirecte baten en lasten (€ 0,4 mln).

 

2. Uitvoeringsprogramma Groen ( UPG) en Nationaal Natuur Netwerk (NNN) (€ 4,1) mln voordeel, geheel beklemd)

Het voordelige resultaat is beklemd als gevolg van juridische en bestuurlijke verplichtingen en de afspraak in het Hoofdlijnenakkoord dat middelen voor UPG en NNN voor dit doel beschikbaar blijven (gesloten systeem). Van het voordelige resultaat is € 1,5 mln veroorzaakt door UPG projecten die in 2015 nog niet zijn afgerond en lagere subsidietoekenningen en -afrekeningen. Er is een voordeel van € 0,8 mln door teruggave van bijdragen voor de deelname aan de recreatieschappen. Tot slot heeft € 1,8 mln van het resultaat betrekking op het programma Aanpassing stikstof (PAS) en Natura 2000. Het programma Aanpassing stikstof is per 1 juli 2015 van start gegaan. De uitvoering van de het PAS monitoringsprogramma is uitgesteld naar 2016. In de tweede helft van het jaar is actief ingezet om de beheerplannen Natura 2000 af te ronden. De extra maatregelen die uit de laatste versies van de beheerplannen komen, konden in 2015 nog niet uitgevoerd worden. De prestaties schuiven daarom door naar 2016.

 

3. Mobiliteit (€ 2,3 mln voordeel)

Als gevolg van de afspraak in het Hoofdlijnenakkoord om voor mobiliteit een 'gesloten systeem' te hanteren, zijn de middelen beklemd. Het voordelige resultaat heeft hoofdzakelijk betrekking op bijstelling van planningen voor beheer en onderhoud van wegen en vaarwegen. De uitvoering van projecten loopt vertraging op, onder andere als gevolg van de complexiteit van projecten en afstemming met andere partijen. Daarnaast is er sprake van aanbestedingsvoordelen. Zie programma 2 voor een nadere toelichting.


4. Wabo en NSL (1,6 mln voordeel)

Het aantal bouwaanvragen is achtergebleven bij de verwachtingen. Hierdoor zijn door de Omgevingsdiensten minder werkzaamheden in het kader van de Wabo verricht en werd € 0,8 mln minder uitgegeven. Bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) zijn door vertraging in de uitvoering de kosten ad € 0,8 mln voor de container terminal niet gerealiseerd. Deze schuiven door naar 2016.


5. Voorziening Grondbank Zuidplas (€ 2,4 mln voordeel)

Als gevolg van de meest recente taxaties van de grondvoorraad van de Gemeenschappelijke Regeling Grondbank Zuidplas is de voorziening bij de Grondbank met € 6 mln naar beneden bijgesteld. De provincie is voor 40% deelnemer in de gemeenschappelijke regeling. Daarom is de voorziening bij de provincie met een evenredig deel (€ 2,4 mln) afgenomen.


6. Subsidie-afrekeningen regionale economie (€ 3,4 mln voordeel, deels beklemd)

De lasten zijn lager uitgevallen door lagere vaststellingen van eerder toegekende subsidies voor bedrijventerreinen (€ 3,1 mln) en Pieken in de Delta (€ 0,3 mln). Deze middelen worden voor € 2,5 mln beklemd om verder vorm te geven aan de bestuurlijke wens tot intensivering en daarmee het economisch beleid van de provincie structureel steviger te verbinden met andere PZH-kerntaken en met het economisch beleid van partners in de Zuidvleugel, andere provincies en het Rijk.

 

7. Subsidie-afrekeningen jeugdzorg (€ 2 mln voordeel)

Het voordelige resultaat is het gevolg van de laatste vaststellingen van diverse in voorgaande jaren verleende subsidies met betrekking tot jeugdzorg. Dit betreft:

  • € 0,6 mln BJZ Jeugd en gezin;
  • € 0,3 mln Zorgaanbod en buiten provinciale plaatsingen;
  • € 1,1 mln Transitie in de Jeugdzorg.

Deze middelen vallen vrij, omdat het om provinciale bijdragen betreft. Naast de provinciale bijdragen zijn niet bestede rijksmiddelen. Deze worden conform afspraak teruggegeven aan het Rijk. Hiervoor is een bedrag van € 2,3 mln gestort in de overlopende passiva (OVP Jeugdzorg). Zie hiervoor onderstaande toelichting bij Doeluitkeringen en overlopende passiva.

 

8. Provinciefonds (€ 7,6 mln voordeel)

Ten opzichte van de Najaarsnota 2015 is er, op basis van de September- en Decembercirculaire 2015, sprake van een positieve ontwikkeling van het Provinciefonds. Hiervan heeft € 5,4 mln betrekking op hogere decentralisatie-uitkeringen en € 0,7 mln betreft een hogere uitkering door ontwikkeling van het accres. Daarnaast valt de bij de raming van de uitkering uit het Provinciefonds gehanteerde behoedzaamheidsmarge van € 1,5 mln vrij.

De bijdrage aan het natuurpact heeft geleid tot een verlaging van de decentralisatie-uitkering natuur van € 0,9 mln. Hiermee was al rekening gehouden in de begroting van programma 1, doel 1.4 Behoud van biodiversiteit. De verlaging van deze decentralisatie-uitkering heeft daarom geen gevolgen voor het rekeningresultaat.

De hogere decentralisatie-uitkeringen worden bij Voorjaarsnota 2016 toegerekend aan de desbetreffende doelen in de Begroting 2016. Het betreft:

  • MKB innovatiestimulering Topsectoren € 3,5 mln
  • Programma impuls omgevingsveiligheid (IOV) € 1,5 mln
  • Kennisprogramma Duurzaam Door € 0,2 mln
  • Interbestuurlijke actieplan bevolkingsdaling € 0,1 mln
  • Green deal (uitwerking warmtestrategie) € 0,1 mln

9. Vrijval reserve transitie subsidies (€ 2,1 mln voordeel)

Het restant van de bij Najaarsnota 2015 ingestelde reserve transitie subsidies is aangehouden gedurende de rechtszaak die de regionale omroepen hadden aangespannen. Op 20 oktober 2015 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan en de provincie in het gelijk gesteld. De regionale omroepen stellen geen hoger beroep in en daarmee vervalt de noodzaak om deze reserve nog langer aan te houden (€ 2,1 mln voordeel).

 

10 Vrijval reserve frictie algemeen (€8,6 mln voordeel)

De reserve frictie algemeen is ingesteld om verplichtingen volgend uit reorganisaties te dekken. Op een deel van de reserve (€ 1,7 mln) rusten nog verplichtingen. Omdat het programma FmA is afgerond, is het logisch om nu het overige deel vrij te laten vallen (€ 8,6 mln voordeel).

 

11. Voorziening GS pensioenen (€ 1,8 mln nadeel)

Op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is de provincie wettelijk verplicht om zorg te dragen voor het verstrekken van een ouderdoms- of nabestaandenpensioen aan de (oud) leden van Gedeputeerde Staten en/of partners. De provincie heeft een voorziening getroffen om aan de toekomstige betalingen te kunnen voldoen. Het gaat in hoofdzaak om aanspraken die in het verleden zijn opgebouwd. In totaal betreft het 54 deelnemers.

De pensioenverplichtingen zijn per 31-12-2015 € 1,8 mln hoger vastgesteld dan geraamd en komt hiermee op € 11,5 mln. De verhoging is het gevolg van daling van rekenrente. Daarnaast hebben we te maken met een afname van € 0,5 mln als gevolg van de jaarlijkse uitkering aan gepensioneerde gedeputeerden en nabestaanden. Per saldo is de voorziening hiermee met € 1,3 mln gestegen.

 

12. Inkomsten opcenten motorrijtuigenbelasting (€ 1,4 mln nadeel)

De ontwikkelingen in het wagenpark in 2015 zijn direct van invloed op de inkomsten motorrijtuigenbelasting. De definitieve opbrengst in 2015 is 0,4% lager dan de raming. Belangrijkste oorzaken zijn het aantal auto's en het gemiddeld gewicht.

Eigen vermogen en reserves

Het eigen vermogen bestaat uit de Algemene reserve, de Programmareserves en het nog te bestemmen rekeningresultaat 2015. Het eigen vermogen nam in 2015 toe met € 71,5 mln (Dit betreft de toename in het eigenvermogen van € 46,3 mln en het bestemde resultaat 2014 van € 28,8 mln). Het totale eigen vermogen bedroeg op 31 december 2015 € 504 mln. Onderstaand diagram geeft de samenstelling hiervan weer.

 
 

Bedragen x € 1 mln

Eigen vermogen

per 1-1-2015

Eigen vermogen

per 31-12-2015

Toename /afname

Algemene reserve

68,6

84,9

16,3

Programmareserves

360,1

381,1

21,0

Nog te bestemmen resultaat

28,8

37,8

9,0

Eigen vermogen

457,5

503,8

46,3

De stand van de algemene reserve moet op basis van de beleidsnota weerstandsvermogen minimaal € 30 mln bedragen. De stand van de algemene reserve per ultimo 2015 is € 84,9 mln en voldoet hiermee aan deze norm.

De mutaties in het eigen vermogen kunnen als volgt worden gespecificeerd.

 

Programmareserves

De programmareserves zijn per saldo toegenomen met € 21 mln. Onderstaand diagram is een overzicht van de belangrijkste reserves (> € 5 mln) op 1 januari 2015 (beginbalans) en 31 december 2015 (eindbalans).

 
 

De belangrijkste mutaties (> € 5 mln) in programmareserves in 2015 waren:

1

Programma 1 Ontwikkelingsperspectief Grevelingen en Volkerak

€ 10,0 mln

2

Programma 1 Decentralisatieakkoord natuur

- € 13,0 mln

3

Programma 2 Kapitaallasten (Egalisatie nota IWA en reserve bereikbaarheid)

€ 27,3 mln

4

Programma 3 Meerjarenplan bodemsanering

€ 5,5 mln

5

Programma 6 Frictiekosten algemeen

- € 7,1 mln

6

Programma 6 Frictiekosten algemeen

€ 1,6 mln

 

Totaal

€ 21,1 mln

 

1. Ontwikkelperspectief van de ontwerp Rijksstructuurvisie Grevelingen/Volkerak-Zoommeer (RGV)

Het door de provincie gereserveerde bedrag van € 10 mln voor de bijdrage aan een door het Rijk en de regio op te richten fonds voor de financiering van het ontwikkelperspectief van de ontwerp RGV is conform Najaarsnota 2015 in de reserve gestort.

 

2. Decentralisatieakkoord natuur

In totaal is er € 13 mln onttrokken uit de reserve Decentralisatieakkoord natuur. Dit is € 2,1 mln meer dan begroot, doordat er € 5,2 mln is onttrokken voor de dekking van de afwaardering van de RodS-gronden. Hier tegenover staan lagere onttrekkingen die nader zijn toegelicht in Programma 1.

Naast de onttrekking voor de dekking van de afwaardering van de RodS-gronden, is € 4,7mln onttrokken uit de reserve Decentralisatieakkoord natuur voor de uitvoering van het UPG/RodS. Ook is er € 0,6 mln onttrokken voor SNL Agrarisch Natuurbeheer. Verder is € 3,1 mln onttrokken voor de subsidies Nota Ruimte projecten Greenport en € 0,5 mln voor de subsidies ILG Synergieprojecten water. Er is weer € 1,2 mln beschikbaar gekomen als gevolg van subsidieafrekeningen voor met name Nota Ruimte projecten veenweidegebieden.

 

3. Kapitaallasten infra

In 2015 werd € 27,3 mln gereserveerd in programmareserve 2 (reserve bereikbaarheid en egalisatiereserve kapitaallasten nota IWA) als gevolg van lagere kapitaallasten. Hier was in de begroting al rekening mee gehouden. Deze middelen zijn later weer nodig om de te verwachten stijging van de kapitaallasten op te vangen. De tijdelijk lagere kapitaallasten zijn veroorzaakt door vertraging in de uitvoering van investeringsprojecten en de stelselwijziging als gevolg van de nota IWA 2014.

 

4. Meerjarenplan bodemsanering

Met ingang van 2015 (tot en met 2020) ontvangt de provincie als decentralisatie-uitkering via het Provinciefonds middelen voor uitvoering van het convenant "Bodem en ondergrond". Deze middelen worden gestort in de egalisatiereserve Meerjarenplan bodemsanering. Met deze reserve kunnen verschillen in de jaarlijkse uitgaven over de looptijd van het werkprogramma worden opgevangen. Om bovenstaande redenen is er conform begroting € 12,6 mln aan deze reserve toegevoegd.

De uitgaven ten laste van de reserve bedroegen € 7,1 mln. Dit is € 4,3 mln minder dan begroot. Deze middelen zijn in latere jaren nodig voor de uitvoering van het meerjarenplan bodemsanering. De afwijkingen ten opzichte van de begroting zijn toegelicht in Programma 3.

 

5. Frictiekosten algemeen

Zie bovenstaande toelichting op het rekeningresultaat bij onderdeel 7.

 

6. Overige reserves

Voor een toelichting op alle overige vermeerderingen en verminderingen van de reserves wordt verwezen naar de toelichting op de balans in de jaarrekening bij het onderdeel vaste passiva. Daarnaast wordt verwezen naar het overzicht beklemdheid reserves (bijlage 3).


Investeringen

In 2015 bedroegen de totale investeringsuitgaven € 202 mln. De bijdragen van derden waren in totaal € 108 mln. De netto investeringsuitgaven komen hiermee op € 95 mln.

 
 

Bovenstaande diagram geeft de bruto en netto investeringsuitgaven per jaar weer. Van de totale bruto investeringsuitgaven in 2015 heeft € 190 mln (94,2%) betrekking op mobiliteit en € 10,5 mln (5,2%) op bedrijfsvoering (huisvestingsvisie en ICT). Het overige deel betreft de programma's Groen en Water (€ 0,4 mln) en Ruimte, Wonen en Economie (€ 0,8 mln).


Doeluitkeringen en overlopende passiva (OVP)

De provincie ontvangt jaarlijks bijdragen van het Rijk met een specifiek bestedingsdoel. Deze doeluitkeringen moeten worden besteed aan het desbetreffende doel. Over de besteding wordt verantwoording afgelegd aan het Rijk, bijvoorbeeld door middel van de verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen (SiSa) bij de jaarrekening (zie bijlage 2). In de programmaverantwoording wordt nader ingegaan op de besteding van de middelen in 2015 en de afwijkingen ten opzichte van de begroting.

Voor deze uitkeringen geldt een terugbetalingsverplichting als ze niet aan het desbetreffende doel worden besteedt. De besteding van de middelen vindt niet altijd plaats in het jaar waarin het Rijk deze heeft uitgekeerd. Volgens de regels in het BBV reserveren we daarom de niet bestede middelen op de balans. Dit zijn de zogenaamde overlopende passiva (OVP).

In 2015 zijn meer van deze rijksmiddelen uitgegeven dan ontvangen. Hierdoor is het saldo van de overlopende passiva met € 4,4 mln afgenomen. Ultimo 2015 bedraagt het saldo van deze balanspost € 266,1 mln. In de programmaverantwoording zijn bij de desbetreffende doelen de uitgaven nader toegelicht.

De belangrijkste wijzigingen, groter dan € 1 mln, zijn weergegeven in onderstaande grafiek.

 
 

De drie grootste mutaties zijn hieronder kort toegelicht. Voor een nadere toelichting op de desbetreffende beleidsdossiers wordt verwezen naar de toelichtingen in de programma's en de toelichting op de balans.

Bestedingsplan Brede Doeluitkering (BDU)

In het bestedingsplan BDU zijn bijdragen aan de regionale en provinciale infrastructuurprojecten opgenomen.

De realisatie van projecten is voorspoedig verlopen, waardoor meer afgerekend kon worden dan in het bestedingsplan was opgenomen. Ter dekking van deze uitgaven zijn meer middelen onttrokken aan de OVP BDU. Dit is conform OVP BDU, waar voldoende ruimte is om de uitgaven te dekken.

 

Jeugdhulpverlening

Bij de overgang van de taak Jeugdzorg naar Gemeenten is er een afspraak gemaakt tussen het Rijk en de PZH om een bedrag van € 4,1 mln. aan het Rijk terug te geven. De storting in de OVP Jeugdhulpverlening zorgt er voor dat aan deze verplichting voldaan kan worden.

Ontwikkelopgave natuur

De toename van de OVP Ontwikkelopgave natuur is hoofdzakelijk veroorzaakt door verkoopopbrengsten van gronden (boekwinst) en de pachtopbrengsten (totaal € 9,6 mln). Daarnaast is er € 4,7 mln onttrokken uit de OVP voor inrichtingskosten en proceskosten voor de NNN-projecten.

In het volgende diagram zijn de overlopende passiva met een eindsaldo op 31 december 2015 groter dan € 1 mln weergegeven.

 
 

Voorzieningen

Het totaalsaldo van de voorzieningen op 31 december 2015 is € 34,5 mln. Ten opzichte van de stand per begin 2015 is er sprake van een afname van € 0,2 mln (stortingen € 4,6 mln, vrijval € 2,4 mln en aanwendingen € 2,4 mln).


Belangrijkste mutaties

De pensioenverplichtingen zijn per 31-12-2015 € 1,8 mln hoger vastgesteld dan geraamd en komt hiermee op € 11,5 mln. De verhoging is het gevolg van daling van rekenrente. Daarnaast hebben we te maken met een afname van € 0,5 mln als gevolg van de jaarlijkse uitkering aan gepensioneerde gedeputeerden en nabestaanden. Per saldo is de voorziening hiermee met € 1,3 mln gestegen. Zie ook de toelichting bij onderdeel 10 van de toelichting op het rekeningresultaat.

De aandelen in ROM-D zijn € 1,8 mln in waarde gedaald. De aanschafwaarde was € 10 mln, de huidige waarde is € 8,2 mln. Voor het bedrag van de waardevermindering is een voorziening gecreëerd.

Als gevolg van een gunstigere waardering van de grondvoorraad van de Gemeenschappelijke Regeling Grondbank Zuidplas is de voorziening bij de Grondbank met € 6 mln naar beneden bijgesteld. De provincie is voor 40% deelnemer in de gemeenschappelijke regeling. Daarom is de voorziening bij de provincie met een evenredig deel (€ 2,4 mln) afgenomen.

Voor toelichtingen op alle storingen en aanwendingen, wordt verwezen naar de toelichting op de balans in de jaarrekening, onderdeel vaste passiva.


Financiële kengetallen

Met ingang van de Begroting 2016 en de Jaarrekening 2015, dienen decentrale overheden vijf financiële kengetallen op te nemen in hun paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing. In het BBV zijn geen normen opgenomen, waaraan de kengetallen kunnen worden getoetst.

In onderstaande tabel zijn de uitkomsten van de zes kengetallen opgenomen:

 

Jaarrekening 2015

Netto schuldquote

61,8%

Netto schulquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

61,3%

Solvabiliteitsratio

33,4%

Grondexploitatie

0,3%

Structurele exploitatieruimte

16,2%

Belastingcapaciteit (tarief PZH t.o.v. gemiddelde)

116,9%

De netto schuldquote is uitgekomen op 61,8%. Dit kengetal geeft een indicatie van de druk van schuldenlast (rente / aflossing) op de eigen middelen. De quote wordt berekend door de netto schuld te delen door het totaal aan jaarlijkse baten.

De quote voor de grondexploitatie is laag. Dit kengetal geeft aan hoe groot de grondpositie voor exploitatiegronden is (de totale waarde van de exploitatiegronden in eigendom bij de provincie) in relatie tot het totaal aan jaarlijkse baten. De provincie kan namelijk risico's lopen inzake de waardeontwikkeling van nog in exploitatie te nemen gronden die op de balans staan. In praktijk blijkt dat de provincie geen of nagenoeg geen exploitatiegronden bezit en daarom weinig risico loopt op grondexploitaties.

Het kengetal Structurele Exploitatieruimte geeft weer hoeveel structurele ruimte er is om de eigen lasten te dragen, ook als bijvoorbeeld de baten afnemen of lasten in de toekomst gaan toenemen.

De ruimte wordt berekend door het structurele saldo (verschil tussen structurele baten en lasten) te delen door het totaal aan jaarlijkse baten. Een structurele ruimte van 16,2% is voldoende om schommelingen in de exploitatie op te vangen.

Het tarief dat PZH hanteert voor de opcenten, is 16,9% hoger dan het gemiddelde tarief van alle provincies tezamen. Het tarief zit echter ruim onder het maximale tarief (nog 13% verhoging is theoretisch mogelijk).

Op basis van deze jaarrekening geven de gerealiseerde quota geen aanleiding geven tot zorg of bijsturing. In de Begroting 2017 wordt nader ingegaan op de verwachte ontwikkeling van de kengetallen voor de langere termijn en zullen daaruit conclusies worden getrokken.


EMU-saldo

Het EMU-saldo is het totaal aan inkomsten minus de uitgaven van de rijksoverheid, sociale fondsen en lokale overheden (onder andere gemeenten, provincies en waterschappen). Er zijn twee manieren van berekening: die volgens het BBV en die volgens het Rijk. Deze worden hieronder toegelicht.

Rijk en decentrale overheden hebben afgesproken dat decentrale overheden samen een negatief EMU-saldo mogen hebben van 0,5% BBP. Het Rijk stelt (op voorstel van de decentrale overheden) vast wat het maximale aandeel hierin mag zijn van respectievelijk gemeenten, provincies en waterschappen. Vervolgens stelt het Rijk op basis hiervan per individuele decentrale overheid een referentiewaarde vast voor het maximaal toegestane negatieve EMU-saldo. Deze wordt jaarlijks geactualiseerd.

Voor 2015 gold voor Zuid-Holland een referentiewaarde van - € 75,2 mln. De provincie Zuid-Holland heeft in 2015 een EMU-saldo gerealiseerd van - € 1,9 mln. Dat is ruim boven de geldende referentiewaarde.

In onderstaande tabel staan de meerjarige ontwikkelingen ten aanzien van het EMU-saldo, conform het BBV, weergegeven.

(bedragen x € 1 mln)

Realisatie 2014

Oorspronkelijke begroting 2015

Realisatie 2015

Begroting 2016

Raming 2017

EMU-saldo

-3,0

-144,5

-2,7

-115,8

-138,3

Referentiewaarde

-78,8

-75,2

-75,2

n.v.t.*

n.b.**

Verschil

75,8

-69,3

72,5

-40,6

-63,1

*) De EMU-tekortruimte is op verzoek van de decentrale overheden in 2016 door het rijk niet nader verdeeld over provincies, gemeenten en waterschappen. Daarom is er in 2016 geen sprake van referentiewaarden.
 
**) In 2016 zullen nadere afspraken worden gemaakt over de referentiewaarden in 2017.

 

Het gerealiseerde EMU-saldo is € 141,8 mln (€ - 144,5 mln - € - 2,7 mln) hoger dan in de oorspronkelijke Begroting 2015. Onderstaande tabel is een specificatie van dit verschil.

 

 In onderstaande tabel staan de meerjarige ontwikkelingen ten aanzien van het EMU-saldo, conform de rijkssystematiek (kasstelsel), weergegeven.

(bedragen x € 1 mln)

Oorspronkelijke begroting

Realisatie

Verschil realisatie-begroting

Netto-investeringsuitgaven (onderhanden werk)

- 227,2

-95,1

132,8

Saldo baten en lasten volgens uitgangspunten voor berekening EMU saldo

82,7

92,4

9,7

Totaal

- 144,5

- 2,7

141,8

* Er wordt hier een vergelijking gemaakt met de oorspronkelijke begroting, omdat bij Voor- en Najaarsnota het EMU-saldo niet is berekend.

De grootste afwijking ten opzichte van de oorspronkelijke begroting betreft de netto investeringsuitgaven.  Dit zijn uitgaven voor investeringsprojecten (onderhanden werk), verminderd met de bijdragen van derden. De netto investeringsuitgaven zijn € 132 mln lager dan geraamd. Hiervan heeft € 131 mln betrekking op investeringen mobiliteit. Bij voor- en Najaarsnota is dit budget naar beneden bijgesteld met € 96 mln. Dit was het gevolg van de inspanningen van de afgelopen jaren om te komen tot meer reële ramingen van de kasritmes. Van het bijgestelde budget ad € 35 mln is in 2015 € 27 mln niet aangewend ten behoeve van de uitvoering van levensverlengend onderhoud Infrastructuur. De oorzaak is gelegen in het feit dat planningen van projecten over de jaargrens heen gaan waardoor de verantwoording in het volgende jaar plaatsvindt. Daarnaast zijn van de volgende projecten, verkeersveiligheidsmaatregelen N209, F298 kade bovenvaart, de goederenvervoerterminal en de MerwedeLingeLijn ( totaal 8 mln) de kasritmes enigszins verschoven ten opzichte van de oorspronkelijke planning. Het betreft verschuiving in de jaarlijkse kasritmes en niet op de doorlooptijd van de genoemde projecten.

Het resterende verschil (€ 9,7 mln) betreft het saldo van baten en lasten en balansposten, volgens de berekeningsmethodiek voor bepaling van het EMU saldo. In de voor- en Najaarsnota 2015 zijn de wijzigingen van de budgetten ten opzichte van de oorspronkelijke begroting toegelicht. In de jaarstukken, bij de derde W-vraag in de programma’s, zijn de afwijkingen in de realisatie ten opzichte van de gewijzigde begroting toegelicht.