Programma 3 Ruimte, Wonen en Economie

Wat willen we bereiken?

Zuid-Holland is rijk aan kansen en mogelijkheden. 21% van het BNP wordt in Zuid-Holland verdiend. Zuid-Holland kent de grootste concentratie aan publieke onderzoeks- en ontwikkelcentra van Nederland. De kracht van Zuid-Holland is ook gelegen in de gediversifieerde economische structuur: het Havenindustrieel complex (mainport), de tuinbouw (Greenport), de kennisintensieve bedrijvigheid (Kennisas) en de hoogwaardige zakelijke dienstverlening (inclusief Den Haag stad van recht, vrede en veiligheid).

De lage ligging, grote bevolkingsdichtheid en de aanwezigheid van energie-intensieve industrie (Chemie, Greenports en Logistiek) maakt Zuid-Holland extra kwetsbaar voor de groeiende schaarste aan grondstoffen, de stijgende energieprijzen en de klimaatverandering. Voor de Zuid-Hollandse economie is een transitie naar een water- en energie-efficiënte economie gebaseerd op duurzame energie en biobased grondstoffen urgent. Daarenboven blijkt Zuid-Holland ondanks de gunstige uitgangspositie haar innovatiepotenties onvoldoende te benutten. Twee zwaktes liggen daaraan ten grondslag: ondermaatse samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen en bedrijven en een achterblijvend aantal kennisintensieve MKB'ers die erin slagen om door te groeien.

In de beleidsvisie en uitvoeringsstrategie Regionale Economie en Energie 2012-2015, 'Kansen Zien, Kansen Grijpen' (mei 2012), de nota 'Intensivering energiebeleid Zuid-Holland' (februari 2014) en het uitvoeringsprogramma Regionale Economie en Energie: behaalde resultaten 2012-2013 en plannen 2014-2015 (september 2014) heeft de provincie Zuid-Holland uiteen gezet welke scherpe keuzes nodig zijn om de regio economisch te versterken en de concurrentiekracht te vergroten. Hiernaar wordt verwezen.

De provincie heeft de afgelopen twee jaar stevig werk gemaakt van gedecentraliseerd regionaal economisch beleid en kan op deze basis de taken in de komende jaren verder uitbouwen. De provincie heeft een belangrijke aanjagende en initiërende rol vervuld bij onder andere: het opstellen van één gezamenlijke economische agenda voor de gehele Zuidvleugel en bijbehorend regionaal investeringsprogramma, de opgerichte Regionale Ontwikkelingsmaatschappij genaamd InnovationQuarter (IQ) en de Economische Programma Raad Zuidvleugel (EPZ).

De eerste successen van de provinciale aanpak zijn zichtbaar. Vernieuwende sectoren als life & health science, bio-chemie en de campuslocaties in het bijzonder (Leiden Bioscience Park, Delft) groeien tegen de crisis in. In het najaar van 2014 zal de EPZ de huidige regionale economische agenda herijken. Dat moet in 2015 leiden tot een nieuw regionaal actieprogramma waaraan de provincie haar co-financieringsmiddelen kan verbinden via het nieuwe EFRO Kansen voor West II programma. Een andere mijlpaal is het SER-energieakkoord met verduurzamingsambities waar Zuid-Holland een substantiële bijdrage aan levert. De mogelijkheden om in Zuid-Holland restwarmte uit de industrie en aardwarmte uit de diepe ondergrond te benutten zijn bijzonder groot. De provincie bevordert actief de realisatie van een warmte-infrastructuur. Dit is essentieel voor collectieve duurzame energievoorziening. Het SER-akkoord heeft een impuls gegeven voor de oprichting van het breed gedragen programmabureau Warmte-Koude Zuid-Holland. Het bureau richt zich de komende jaren op het beter benutten en verduurzamen van warmte. De provincie streeft verder naar behoud van en modernisering van het greenport areaal in de tuinbouwconcentratiegebieden. Verspreid liggend glas zal daarbij gesaneerd worden. Die opgave ligt op koers en wordt in 2015 verder ingevuld. Tegelijkertijd wordt ingezet op flexibilisering van de glascompensatieregel voor de Greenport Westland-Oostland. De provincie wil binnen deze greenport ruimte bieden aan weloverwogen vormen van functiemenging, als die het greenportcluster versterken. Ook het overaanbod op de kantorenmarkt is aangepakt. Het doel is het leegstandspercentage van kantoren in Zuid-Holland omlaag te krijgen tot een niveau dat gelijk is aan of lager is dan het landelijk gemiddelde percentage. Er zijn de afgelopen jaren belangrijke stappen hiertoe gezet. Meer dan de helft van het ‘papieren’ kantorenaanbod is uit de markt genomen. Een aanpak die ook in 2015 wordt voortgezet.

Dat laat onverlet dat er nog werk aan de winkel is. Recente rapporten als de Randstadmonitor, 'Visie op regio’s in 2014' van de ING en de OECD[1] tonen dat onze regio niet sterker uit de crisis is gekomen en achterblijft ten opzichte van andere regio’s. Tegelijkertijd luidt het advies van de adviesorganen om blijvend in te zetten op het versterken van de regionale samenwerking en stimulering van innovatie (in het bijzonder MKB). Deze inzichten tonen eens te meer aan dat de provincie moet doorgaan met het vergroten van slagkracht, tegengaan van versnippering en het doorvoeren van de regionale vernieuwingsagenda.

Effectindicatoren

 

Omschrijving

Nulmeting

2015

2016

2017

2018

3.4.a

Procentuele jaarlijkse groei van het inkomen van de prioritaire clusters

0,1%

0,1% boven landelijk gemiddelde

0,1%

boven landelijk gemiddelde

0,1%

boven landelijk gemiddelde

0,1% boven landelijk gemiddelde

3.4.b

Leegstandspercentage kantoren Zuid-Holland ten opzichte van Nederland per 31/12

13,6%

(Landelijk 13,7%)

(1.665.300 m2)

= landelijk gemiddelde

= landelijk gemiddelde

= landelijk gemiddelde

= landelijk gemiddelde

Toelichting Effectindicatoren

3.4.a: De indicator doelt op de procentuele jaarlijkse groei van de totale toegevoegde waarde van alle bedrijfsklassen die tot de stuwende economische clusters worden gerekend. Gemonitord worden hier de groeiprestaties van de clusters, die tot het Havenindustrieel Complex, tot de Greenports en tot de Campussen behoren en waarbij de provinciale betrokkenheid het grootst is (Maritiem en Deltatechnologie, Transport & Logistiek, Greenports en Bioscience). Deze inspanningen moeten worden opgeteld bij die van het Rijk en andere overheden. De relatieve variabele (de groei is hoger dan het landelijk gemiddelde) schakelt de invloed van conjunctuur uit en legt het accent specifiek op de factoren die de Zuid-Hollandse groei bepalen.

3.4.b: De provincie zet in op een aan de landelijke ontwikkeling gelijkblijvend leegstandspercentage voor Zuid-Holland. Er zijn nu geen signalen die er op wijzen, dat landelijk of provinciaal de leegstand in 2015 zal verminderen. Ook in andere vastgoedsectoren stijgt de leegstand en daarmee de behoefte aan transformatie naar andere functies, waarbij vooral aan wonen wordt gedacht.

Als resultaat van de vaststelling van de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zullen naar verwachting medio 2015 nieuwe regionale kantorenvisies beschikbaar zijn. Daarmee kan onder meer het beeld op de transformeerbaarheid van het beschikbare aanbod worden vergroot. Transformatie van kantoren naar andere functies (vooral wonen) kan bijdragen aan het verminderen van de leegstand, maar dat is vooral een aangelegenheid van de markt. De provincie zal hierbij waar mogelijk een faciliterende rol spelen.

OECD, Reviews of Innovation Policy, The Netherlands, 2014, OECD, Economic Surveys, The Netherlands, April 2014.

Wat willen we bereiken?

 
Effectindicatoren
 

Omschrijving

Nulmeting

 

2015

3.4.b

Leegstandspercentage kantoren Zuid-Holland ten opzichte van Nederland per 31/12

13,6%

(Landelijk 13,7%)

(1.665.300 m2)

Begroot

= landelijk gemiddelde

VJN

17%

 
Toelichting afwijking

De leegstand in Zuid-Holland bedraagt begin dit jaar 17% volgens de Monitor van Stec (in afronding), hetgeen 1 procentpunt boven het landelijke cijfer van 16% ligt van DTZ Zadelhof.

In de Rotterdamse regio ligt de leegstand al langer boven het landelijk cijfer. In afgelopen jaar is in de regio (Capelle, Schiedam) de leegstand wat meer opgelopen, dan in Rotterdam zelf.

De ontwikkeling van de leegstand hangt van meerdere factoren af zoals de algemene economische ontwikkeling (de conjunctuur), maar ook van structurele veranderingen (het nieuwe werken). Verder spelen bij de omvang van de leegstand de onttrekkingen van (lege) kantoren, planreductie en de kwaliteit van het aanbod een rol. Bij dat laatste gaat het bijvoorbeeld om de prijs/kwaliteit, de courantheid en kansrijkheid van het bestaande aanbod. Wat betreft onttrekking en planafname zien we de laatste jaren positieve ontwikkelingen in de diverse regio's van Zuid-Holland.

Wat willen we bereiken?

Effectindicatoren

 

Omschrijving

Nulmeting

Doelstelling 2015

Realisatie 2015

3.4.a

Procentuele jaarlijkse groei van het inkomen van de prioritaire clusters

0,1%

0,1% boven
landelijk gemiddelde

Gelijk aan het landelijk gemiddelde

3.4.b

Leegstandspercentage kantoren Zuid-Holland ten opzichte van Nederland per 31/12

13,6%

(Landelijk 13,7%)

(1.665.300 m 2)

15,8%

18,2%

Verantwoording Effectindicatoren

3.4.a: Het totaal beeld is dat de prioritaire clusters qua omzet gegroeid zijn, maar niet zoals de ambitie is, beter dan in Nederland maar gelijk. De indicator doelt op de procentuele jaarlijkse groei van de totale toegevoegde waarde van alle bedrijfsklassen die tot de stuwende economische clusters worden gerekend. Gemonitord worden hier de groeiprestaties van de clusters, die tot het Haven Industrieel Complex, tot de Greenports en tot de Campussen behoren en waarbij de provinciale betrokkenheid het grootst is (Maritiem en Deltatechnologie, Transport & Logistiek, Greenports en Bioscience). Deze inspanningen moeten worden opgeteld bij die van het Rijk en andere overheden. De relatieve variabele (de groei is hoger dan het landelijk gemiddelde) schakelt de invloed van conjunctuur uit en legt het accent specifiek op de factoren die de Zuid-Hollandse groei bepalen. De Conjunctuurenquête Nederland (COEN) van het CBS geeft als indicatie dat de omzet van de prioritaire clusters Greenports (landbouw) en het Haven Industrieel Complex (industrie, bouwnijverheid en vervoer en opslag) zich in 2015 gelijk heeft ontwikkeld als het Nederlands gemiddelde. Wat de onderliggende bedrijfstakken van de prioritaire clusters betreft valt op dat in 2015 de landbouw in Zuid-Holland een forse omzetgroei heeft gerealiseerd, die duidelijk boven het landelijk gemiddelde lag. De bouwnijverheid is in 2015 opgeveerd na enkele zeer moeilijke jaren. De Zuid-Hollandse bouwnijverheid met zijn grote weg- en waterbouwsector heeft daar iets minder van geprofiteerd. Opvallend is dat de belangrijke logistieksector in Zuid-Holland in 2015 in het geheel geen omzetgroei heeft weten te realiseren. Landelijk had deze sector nog wel een omzetgroei.

3.4.b: Deze doelstelling is niet gerealiseerd.

In de uitgangssituatie (juni 2011) lag het leegstandspercentage van Zuid-Holland volgens (specifiek) onderzoek van DTZ 0,1% onder het landelijke cijfer. Medio 2015 bedraagt de leegstand in de belangrijkste Zuid-Hollandse kantorengemeenten 1,7% meer dan het landelijke cijfer dat DTZ publiceerde (16,1%). Op basis van deze data heeft het nieuwe college besloten dat er in het vervolg op wordt ingezet het Zuid-Hollandse leegstandspercentage niet groter dan 1,7% van het landelijke cijfer te laten afwijken.

Het landelijk leegstandscijfer is sindsdien iets afgenomen en bedraagt per januari 2016 15,8%. Op basis van de cijfers voor de belangrijkste kantorengemeenten in Zuid-Holland is berekend dat het leegstandpercentage per januari 2016 op 18,2% uitkomt, dus 2,4% boven het landelijke cijfer. In absolute zin nam de leegstand in Zuid-Holland afgelopen jaar echter nauwelijks toe. Opvallend was de toename van het aantal m2 leegstaande kantoren in Den Haag en Rijswijk.

Het is onduidelijk waarom ondanks omvangrijke onttrekkingen in de afgelopen jaren het leegstandspercentage van Zuid-Holland nog niet onder het landelijke is gedaald. Wij zullen met de regio's nadere analyses plegen op deze cijfers en eventuele vervolgacties bekijken. De aanvaarding van de regionale kantorenvisies (2016) is een eerste stap om te komen tot een gezonde kantorenmarkt. Zoals we in de aanvaardingsbrieven van de kantorenvisies hebben genoteerd: wij gaan actief met de regio's in gesprek over zowel het verder verminderen van de plancapaciteit voor nieuw te bouwen kantoren als het transformeren van leegstaande kantoren. Dit willen wij de komende periode, onder andere vanuit het Actieprogramma Slim Ruimtegebruik in gezamenlijkheid met regio's en gemeenten oppakken.