Budgettair kader

Algemeen

De Begroting 2015 is gebaseerd op de Kadernota 2015-2018 en, conform de richtlijnen van het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK), op de Meicirculaire 2014. De totale lasten bedragen € 694 mln inclusief inzet van reserves. De totale baten bedragen € 678 mln.

In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk wordt op hoofdlijnen ingegaan op de mutaties in de financiële ruimte, de baten (medebewindsvoering), de omvang van de reserves en het EMU-saldo.

Financiële ruimte

Onderstaand overzicht geeft de mutaties in de financiële ruimte weer ten opzichte van de Begroting 2014. Op onderdelen hebben voortschrijdend inzicht en exogene ontwikkelingen geleid tot bijstellingen ten opzichte van de Kadernota. In de eerste kolom zijn de ontwikkelingen 2015 uit de Kadernota 2015-2018 opgenomen (onderdeel 1 t/m 8). De tweede kolom, 'Begroting 2015', geeft de mutaties in de begroting, inclusief de Kadernota, weer.

Mutaties in de financiële ruimte

bedragen x € 1 mln

Kadernota 2015

Begroting 2015

Raming 2016

Raming 2017

Raming 2018

 

Beginstand op basis Begroting 2014

0,1

0,1

18,1

32,8

32,6

1

Structurele doorwerking Voorjaarsnota 2014

1,0

1,0

1,0

0,4

1,1

2

Motorrijtuigenbelasting

p.m.

3,0

2,0

4,0

5,0

3

Provinciefonds - Meicirculaire 2014

3,4

12,0

3,6

2,8

2,0

4

Kapitaallasten en onderhanden werk

-0,2

0,2

0,5

0,4

0,3

5

Beheer nieuw areaal Kaderbesluit Infra 2014

-2,2

-2,2

-4,8

-5,4

-7,5

6

Loonkosten - uitlooptoelagen en minplaatsingen

0,0

0,0

0,0

-3,5

-3,2

7

Overheveling van taken tussen overheden

-0,8

-0,6

2,2

2,2

1,2

8

Prijsontwikkelingen

-1,7

-2,6

-2,6

-2,6

-2,6

9

Storting in reserve integrale bereikbaarheid

-

0,0

0,0

0,0

5,3

10

Gebiedsontwikkeling Grevelingen-Volkerak

-

-10,0

0,0

0,0

0,0

11

Blijven voldoen aan wettelijke taken

-

-0,9

-0,9

-0,9

-0,9

12

Overige

-

-

0,2

0,1

0,4

 

Eindsaldo

-0,5

0,0

19,3

30,4

33,8

De in de begroting verwerkte bedragen wijken op onderdelen af van de bedragen in de Kadernota. De bijstellingen voor 2015 zijn in totaal € 0,5 mln voordelig. Het betreft het verschil tussen de kolommen ‘Kadernota 2015’ en ‘Begroting 2015’ in bovenstaand overzicht::

  • € 3,0 mln meer inkomsten als gevolg van ontwikkeling van het wagenpark;

  • € 8,6 mln meer inkomsten uit het Provinciefonds, op basis van de meicirculaire;

  • € 0,4 mln vrijval van kapitaallasten (exclusief infra en huisvesting);

  • € 0,3 mln minder lasten als gevolg van de overheveling van taken tussen overheden;

  • € 0,9 mln meer lasten als gevolg van behoedzaam ramen van prijsontwikkelingen;

  • € 10,0 mln reservering voor gebiedsontwikkeling Grevelingen-Volkerak;

  • € 0,9 mln meer lasten om te kunnen blijven voldoen aan wettelijke verplichtingen.

De mutaties in de financiële ruimte, inclusief de afwijkingen ten opzichte van de Kadernota 2015-2018, zijn hieronder, per onderdeel, toegelicht.

1. Structurele doorwerking Voorjaarsnota (€ 1,0 mln)

In deze begroting zijn de ontwikkelingen uit de Voorjaarsnota 2014 die meerjarig doorwerken, in de cijfers verwerkt. Voor een toelichting wordt verwezen naar de Voorjaarsnota 2014 en de Kadernota 2015-2018. Het betreft:

  • vrijvallende kapitaallasten: voordeel van € 0,9 mln in de jaren 2015, 2016, 2018 en € 0,2 mln in 2017;

  • toevoeging ‘rente’ aan voorziening Fonds Nazorg: nadeel van € 0,3 mln structureel;

  • vervallen wettelijk verplichte rentetoevoeging OVP BDU: voordeel van € 0,5 mln structureel.

2. Motorrijtuigenbelasting (€ 3,0 mln)

In het Hoofdlijnenakkoord is ten aanzien van de opcenten opgenomen de inflatiecorrectie voor de helft achterwege te laten. Per jaar wordt bezien of de volledige correctie achterwege kan blijven, afhankelijk van het financieel perspectief. Om de lastenverhoging voor de burger te beperken wordt ook voor 2015 de verhoging van de inflatie achterwege gelaten.

Raming ontwikkeling opbrengsten uit opcenten Motorrijtuigenbelasting

bedragen x € 1 mln

2015

2016

2017

2018

Begroting 2014

327,0

329,0

329,0

329,0

Begroting 2015

330,0

331,0

333,0

334,0

Verschil

3,0

2,0

4,0

5,0

De inkomsten nemen in 2015 toe als gevolg van een lichte groei van het wagenpark en van een toename van het gemiddelde gewicht van de auto’s. Dit laatste is hoofdzakelijk het gevolg van de vervallen vrijstelling voor milieuzuinige auto’s. Nu deze vrijstelling vervallen is, blijkt dat bij inruil in veel gevallen wordt gekozen voor de aanschaf van een grotere (en zwaardere) auto.

3. Provinciefonds -Meicirculaire 2014 (€ 12,0 mln)

Op basis van de Meicirculaire 2014 is de ontwikkeling van het Provinciefonds als volgt in de begroting verwerkt:

Mutaties in de baten uit het Provinciefonds ten opzichte van de Begroting 2014

bedragen x € 1 mln

2015

2016

2017

2018

  1. Algemene en decentralisatie-uitkering

12,0

4,1

3,3

2,5

  1. Behoedzaamheid

0,0

-0,5

-0,5

-0,5

Totaal

12,0

3,6

2,8

2,0

Hieronder volgt een toelichting op de mutaties in het Provinciefonds. Zie ook de paragraaf ‘Baten (medebewindsvoering)’ van dit hoofdstuk. Daar wordt onder andere ingegaan op de decentralisatie-uitkeringen van het Provinciefonds.

In de Kadernota is melding gemaakt van een aantal ontwikkelingen die op termijn het Provinciefonds gaan raken, maar waar de meicirculaire nog geen uitsluitsel over geeft. Het betreft onder andere Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de decentralisatie van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Deze ontwikkelingen zijn nader toegelicht bij onderdeel 6 (Overheveling van taken tussen overheden) in deze paragraaf.

Ad 1. Algemene en decentralisatie-uitkering

In de Kadernota 2015-2018 werd uitgegaan van een stijging in 2015 van € 4,9 mln als gevolg van de positieve ontwikkeling van het accres, zoals die was opgenomen in de Decembericirculaire 2013. Daarnaast zijn in de Kadernota de effecten verwerkt van de kortingen in verband met samenwerking provincies en vermindering ambtsdragers (ondanks dat betreffende wetsvoorstellen niet doorgaan, zet het Rijk de kortingen door) en de overheveling van de jeugdzorg naar gemeenten. Ten opzichte van de Kadernota is er, op basis van de Meicirculaire 2014, een toename van € 7,1 mln als gevolg van ontwikkelingen in het accres en in verdeelmaatstaven woonruimten, opcenten Motorrijtuigenbelasting en het effect van de onderschrijding van het plafond van het BTW-compensatiefonds.

Ad 2. behoedzaamheidsmarge

Bij het ramen van de inkomsten uit het Provinciefonds hanteert de provincie een reguliere behoedzaamheid van € 1,5 mln voor het opvangen van kleine afwijkingen in de algemene uitkering door ontwikkelingen in het accres, verdeelmaatstaven en taakmutaties. In de Kadernota is een extra behoedzaamheidsmarge van € 1,5 mln gehanteerd, vanwege onzekerheid over het effect van onderuitputting op de Rijksbegroting 2013 op het accres. Uit de Meicirculaire 2014, die de eindafrekening over 2013 bevat, blijkt deze extra behoedzaamheid niet nodig te zijn. Met ingang van 2016 wordt er een reguliere behoedzaamheid gehanteerd van € 2,0 mln (zie ook in deze paragraaf onderdeel 8, prijsontwikkelingen).

4. Kapitaallasten en onderhanden werk (- € 0,2 mln)

Provinciale Staten hebben op 11 december 2013 de herziene nota Investeringen, waarderingen en afschrijvingen (nota IWA 2014) vastgesteld en op 28 mei 2014 de herziene Financiële verordening. Hierin is geregeld dat Provinciale Staten van een investeringsproject de omvang van het investeringskrediet, het dekkingsplan en het jaar van gereedkomen van de voorbereidings- en uitvoeringsfase vaststellen, in plaats van jaarlijkse investeringsbudgetten (jaarbudgetten).

Als de totale kosten of de doorlooptijd van een project fundamenteel wijzigen, wordt dit in de toekomst in de P&C‑producten (Kadernota, begroting, voor- en Najaarsnota) gerapporteerd, inclusief voorstellen voor bijsturing. Voordeel van deze werkwijze is dat in de P&C-producten wordt gerapporteerd over bestuurlijk relevante zaken en minder over financieel technische bijstellingen, zoals bijstellingen van jaarbudgetten die de uiteindelijke opleverdatum en de totale kosten van een project niet of nauwelijks raken.

Provinciale Staten stellen bij begroting de nieuwe Investeringskredieten vast. Voor een overzicht van de investeringskredieten wordt verwezen naar bijlage 3.

De nota IWA 2014 heeft met ingang van Begroting 2015 ook gevolgen voor de kapitaallasten, omdat de afschrijving op investeringen niet meer plaatsvindt op basis van de jaarlijkse uitgaven. Er wordt pas op de investeringen afgeschreven vanaf het jaar na afronding van de voorbereidings- of uitvoeringsfase van een project. De geraamde kapitaallasten zullen hierdoor de komende jaren (vanaf 2015) dalen, om later, op het moment dat de voorbereidings- of uitvoeringsfase van een project is afgerond, met pieken te stijgen. Dit betekent een verschuiving in kapitaallasten in jaarschijven, maar heeft geen effect op het benodigde budget op de langere termijn. Deze effecten waren nog niet berekend ten tijde van het opstellen van de Kadernota 2015-2018. De verschuiving in lasten is voor het eerst zichtbaar in de Begroting 2015 en de meerjarenraming 2016-2018. De aanvankelijke verlaging van de geraamde kapitaallasten van infraprojecten en huisvesting worden gereserveerd, om in later jaren te kunnen worden ingezet voor de stijgende kapitaallasten. Hierdoor is het effect op het begrotingssaldo gering. Onderstaand overzicht geeft deze ontwikkeling in de kapitaallasten weer, inclusief de reserveringen voor infra en huisvesting.

Ontwikkeling kapitaallasten

(bedragen x € 1 mln)

Begroting
2015

Raming
2016

Raming
2017

Raming
2018

Saldo verschil kapitaallasten Begroting 2014 - 2015

Afschrijvingslasten

4,8

11,7

11,1

8,0

Toegerekende rente

10,5

15,7

18,4

12,9

Bespaarde rente

-6,7

-4,0

-7,7

-4,7

Totaal

8,6

23,4

21,8

16,2

Verrekening met reserves

Reserve bereikbaarheid

5,0

10,5

10,8

11,3

Egalisatiereserve kapitaallasten nota IWA mobiliteit

3,2

12,2

9,7

4,2

Egalisatiereserve kapitaallasten nota IWA bedrijfsvoering

0,1

0,3

0,8

0,4

Totaal verrekening met reserves

8,4

23,0

21,4

15,9

Resultaat (naar financiële ruimte)

0,2

0,5

0,4

0,3

Kapitaallasten bestaan uit afschrijving en toegerekende rente. Over onderhanden werk wordt nog niet afgeschreven, maar er wordt wel al rente aan toegerekend. De wijze waarop de toegerekende rente wordt berekend is geregeld in de beleidsnota Kostprijs- en renteberekening. Omdat er eerder geen sprake was van onderhanden werk (investeringen werden jaarlijks geactiveerd), is in de beleidsnota Kostprijs- en renteberekening alleen opgenomen dat er rente wordt berekend over activa. Er is daarom een technische aanvulling op deze beleidsnota nodig. Deze aanvulling is in lijn met de eerdere handelswijze en heeft geen budgettaire gevolgen. De aanvulling wordt meegenomen bij de eerstvolgende actualisatie van de beleidsnota in 2015. Vooruitlopend daarop is in deze begroting al rekening gehouden met de toerekening van rente aan onderhanden werk

5. Beheer nieuw areaal, Kaderbesluit Infrastructuur 2014 (- € 2,2 mln)

Dit betreft de financiële verwerking van het Kaderbesluit Infrastructuur 2014, conform Kadernota 2015-2018 (zie Kadernota 2015-2018, paragraaf 3.2).

Op verzoek van Provinciale Staten is met de ingang van de Begroting 2014 inzicht geboden in de lange-termijnontwikkeling van de kapitaal- en beheerlasten (horizon 2028). Het betreft hier financiële consequenties van eerdere besluiten, die niet binnen de wettelijk voorgeschreven reikwijdte (vier jaar) van de provinciale meerjarenbegroting vallen. De uitkomsten van dit traject zijn vastgelegd in de notitie 'Lange termijn inzicht kapitaal- en beheerlasten’, die op 15 januari 2014 door Gedeputeerde Staten is vastgesteld en waarvan de commissies Bestuur & Middelen en Verkeer & Milieu op 12 maart 2014 kennis hebben genomen. Uit de notitie blijkt dat de kapitaal- en beheerlasten de komende jaren sterk toenemen als gevolg van eerdere besluiten over aanleg en beheer van infrastructuur.

6. Loonkosten, structurele verwerking uitlooptoelagen en minplaatsingen (geen gevolgen 2015)

In de Kadernota 2013-2016 hebben Provinciale Staten incidenteel (voor de periode 2013 t/m 2016) budget beschikbaar gesteld voor het geraamde tekort op de loonkosten als gevolg van de uitlooptoelagen en minplaatsingen. Dit is ten laste gebracht van de financiële ruimte, wat verwerkt is in de Begroting 2013. In de Kadernota 2015-2018 is gemeld dat dit structurele maar aflopende tekort voor de jaren na 2016 nog in de begroting moet worden verwerkt. In 2017 gaat het om een bedrag van € 3,5 mln en in 2018 om € 3,2 mln. Op de lange termijn loopt dit bedrag verder terug tot € 3,0 mln in 2019 en € 2,5 mln in 2020. Na 2028 dalen de effecten onder de € 1,0 mln en na 2035 onder de € 0,1 mln. Bij deze cijfers is alleen rekening gehouden met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Mogelijke effecten van vervroegd uittreden door vrijwillige mobiliteit of gebruik van regelingen uit het Sociaal Convenant zijn niet becijferd, omdat deze niet te voorspellen zijn.

7. Overheveling van taken tussen overheden (- € 0,6 mln)

Externe veiligheid (- € 0,8 mln)

In de Kadernota is gemeld dat de rijksbijdrage voor externe veiligheid met ingang van 2015 komt te vervallen. Deze bijdrage wordt deels ingezet ter dekking van apparaatslasten en ondersteuning. Door het wegvallen van de bijdrage komt ook de dekking te vervallen. Een bedrag van € 0,8 mln had specifiek betrekking op de ondersteuning. Conform besluit bij Kadernota wordt dit bedrag ten laste van de financiële ruimte gebracht. Reden hiervoor is dat de provincie niet alleen taken afstoot, maar de komende jaren ook nieuwe taken krijgt.

Medio 2014 heeft het Rijk de Impuls Omgevingsveiligheid 2015-2018 vastgesteld. De hoogte van de bijdrage vanuit dit programma aan de decentrale overheden is nog niet vastgesteld. Eind 2014 zal de provincie een subsidieaanvraag indienen voor Zuid-Holland en uitwerken in een programma Externe Veiligheid 2015-2018. Middelen zullen worden ingezet voor aanvullende activiteiten voornamelijk bij partners als gemeenten en veiligheidsregio's waarbij de provincie Zuid-Holland als coördinator voor alle provincies fungeert.

Vergunningverlening, toezicht en handhaving (- € 0,6 mln)

Een van de in de Kadernota gemelde ontwikkelingen is de overheveling per 2014 van taken en bijbehorende middelen met betrekking tot vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van de provincies naar de gemeenten (overgang VVGB-bedrijven). De middelen worden vanuit het Provinciefonds overgeheveld naar het Gemeentefonds en hiermee wordt de algemene uitkering per provincie structureel verlaagd. Bij Voorjaarsnota is dit incidenteel verwerkt voor 2014. De structurele verweking vindt plaats in deze begroting.

Door de overdracht van taken en middelen nemen zowel de baten (uitkering Provinciefonds) als de lasten (bijdragen aan de Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD’s)) voor de provincie af. De uitname uit het Provinciefonds bedraagt € 6,8 mln (het aandeel van Zuid-Holland is door BZK berekend op basis van de verdeelmaatstaven van het Provinciefonds). De afname van de lasten (€ 6,2 mln) is gebaseerd op onderzoek dat door een gespecialiseerd onderzoeksbureau is uitgevoerd (in opdracht van het Interprovinciaal Overleg (IPO)) naar de genormeerde uitgaven. Dit geeft per saldo een structureel nadeel voor Zuid-Holland van € 0,6 mln.

Dienst Landelijk Gebied (DLG) (€ 0,8 mln)

DLG is een agentschap van het ministerie van Economische Zaken. De dienst draagt bij aan het realiseren van samenhang en ontwikkeling in het landelijk gebied. Op 20 september 2011 zijn het Rijk en de provincies het 'Onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur' overeengekomen. In dit akkoord is onder meer vastgelegd dat de provincies per 1 januari 2015 verantwoordelijk worden voor het provinciaal aandeel van DLG. De provincies nemen de bijbehorende capaciteit en middelen over. Door het IPO-bestuur heeft besluitvorming plaatsgevonden over de verdeling van de middelen. Voor Zuid-Holland is hiermee naar verwachting een bedrag gemoeid van € 3,25 mln. Op 11 juli 2014 is door BZK gemeld dat gestreefd wordt om dit in de Septembercirculaire 2014 te verwerken. Op grond van dit bericht wordt het bedrag voor Zuid-Holland budgettair neutraal in de meerjarenraming opgenomen. Als dit in de septembercirculaire anders blijkt te zijn, dan wordt de Begroting 2015 op dit punt bij de Voorjaarsnota 2015 aangepast.

De werkvoorraad DLG heeft grotendeels een langdurig maar tijdelijk karakter, waardoor de benodigde middelen in de tijd zullen afnemen. Een beperkt deel van de DLG-taken heeft een permanent karakter. Als de benodigde formatie in geld wordt uitgedrukt (inclusief personele en materiële overhead), blijkt dat de lasten aanvankelijk hoger zijn dan het budget. Hierdoor ontstaat tijdelijk een tekort, dat zal worden gedekt (voorgefinancierd) uit programmareserve 1. Vanaf 2021 is echter minder formatie nodig en is het budget naar verwachting groter dan de lasten. Dit voordeel vloeit terug naar programmareserve 1, totdat de voorfinanciering is gecompenseerd.

In deze begroting is de voorlopige voorfinanciering geraamd op € 1,3 mln. Het werkelijk benodigde bedrag is afhankelijk van verdere besluitvorming over de bijdrage van het Rijk (Septembercirculaire 2014) en de afbouw van de formatie. Er is ook nog geen rekening gehouden met eventuele frictiekosten. Provinciale Staten worden de komende jaren bij voor- en Najaarsnota over mogelijke bijstellingen van deze raming geïnformeerd.

Ter illustratie is de raming van de ontwikkeling van de lasten en baten in onderstaande grafiek weergegeven.

Bij het bepalen van de benodigde ondersteuning als gevolg van de overkomst van DLG is rekening gehouden met de effecten van de transitie jeugdzorg in 2016. Feitelijk is de afname van de budgetten voor ondersteuning als gevolg van de transitie jeugdzorg een jaar naar voren gehaald. Dit levert in 2015 een voordeel op van € 0,8 mln.

8. Prijsontwikkelingen (€ 2,6 mln)

In de Kadernota 2015-2018 is rekening gehouden met een claim ten laste van de financiële ruimte van € 1,7 mln als gevolg van prijsontwikkelingen. Uit behoedzaamheidsoverwegingen wordt de verlaging van de behoedzaamheid bij de raming van het Provinciefonds van € 1,0 mln (zie bovenstaande toelichting) structureel in de begroting opgenomen om toekomstige onvoorziene prijsstijgingen te dekken.

Prijsontwikkelingen bij Kadernota 2015-2018 en Begroting 2015 (bedragen x € 1 mln)

Onderwerp

Kadernota

Begroting

Toelichting

Materiële budgetten

€ 1,2 mln

€ 1,2 mln

Conform Kadernota verwerkt

Subsidies

€ 0,5 mln

€ 0,4 mln

Bijgesteld op basis van actueel prijsindexcijfer

Behoedzaamheid

 

€ 1,0 mln

Reservering voor onvoorziene prijsstijgingen

Totaal

1,7 mln

2,6 mln

 

Indexatie omgevingsdiensten

In de besturen van de omgevingsdiensten zijn besluiten genomen over de wijze van indexatie binnen de betreffende gemeenschappelijke regelingen. De bijdragen aan de omgevingsdiensten Midden-Holland en West-Holland worden geïndexeerd. Dekking hiervoor wordt gevonden binnen de eigen begroting van de genoemde omgevingsdiensten. Bij de Omgevingsdienst Haaglanden wordt alleen de bijdrage aan het materieel budget geïndexeerd (€ 17.500). De bijdragen aan de omgevingsdiensten DCMR en OZHZ worden niet geïndexeerd.

9. Storting in egalisatiereserve exploitatieprojecten MPI (geen effect 2015)

Als onderdeel van het Kaderbesluit Infra 2014 wordt de storting in de egalisatiereserve exploitatieprojecten MPI in 2018 met € 5,3 mln, in 2019 met € 4,7 mln en vanaf 2020 structureel met € 5,0 mln verlaagd. Hiermee worden de totale exploitatielasten voor mobiliteit structureel verlaagd.

10. Gebiedsontwikkeling Grevelingen-Volkerak (- € 10,0 mln)

In de Zuid Westelijke-Delta wordt op basis van de nog vast te stellen (oktober 2014) Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer gewerkt aan een maatregelenpakket om het getij op de Grevelingen en een zout Volkerak-Zoommeer mogelijk te maken. De haalbaarheid zal mede afhangen van de bereidheid van de regio om mee te financieren. Provincie Zuid-Holland reserveert hiervoor een bedrag van € 10,0 mln als bijdrage aan de maatregelen.

11. Blijven voldoen aan wettelijke taken (- € 0,9 mln)

Structurele formatie uitbreiding Wob en wet BIBOB (3 fte)

Afhandeling van Wob-verzoeken (Wet Openbaar Bestuur) en de uitvoering van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB) zijn wettelijke taken. Een eenduidige werkwijze en overzicht ontbraken. Bestuurders waren vaak niet op de hoogte van de Wob-verzoeken die bij de provincie waren binnengekomen. Voor een professionele gecoördineerde uitvoering is op tijdelijke basis een pilot uitgevoerd. Door centrale coördinatie is sprake van een professionele inbedding met risicobeheersing, overzicht en transparantie, termijnbewaking, eenduidige werkwijze en procedures, veel aandacht voor de kwaliteit van de teksten, interprovinciale afstemming etc. De Wob- en BIBOB-coördinatoren zijn ook verantwoordelijk voor bewustwordingstrajecten en kennisdeling in de organisatie en bij de RUD's.

Jaarlijks is sprake van een groot aantal Wob-verzoeken (circa 100) en BIBOB-onderzoeken (circa 5). De beheersing van het aantal verzoeken en/of onderzoeken is niet beïnvloedbaar. Op grond hiervan is structureel 3 fte nodig (€ 0,25 mln).

Incidentele formatie uitbreiding voor Financieel Toezicht (2 fte gedurende 4 jaar)

Gemeenten hebben het financieel zwaar door verliesgevende grondexploitaties, zware bezuinigingen, naderende verliesgevende decentralisaties etc. Dit kan leiden tot meer gevallen van preventief toezicht. De provincie spant zich in om dat te voorkomen door het toezicht te intensiveren (gemeenten vaker bezoeken, begrotingsscans uitvoeren). De provincie verwacht niettemin een forse toename van het aantal gemeenten en gemeenschappelijke regelingen dat ‘preventief’ zal worden.

Met de decentralisatie van taken in het sociale domein naar gemeenten nemen de financiële risico’s voor gemeenten fors toe. Het gaat daarbij meestal om een verdubbeling van hun begroting. Omdat veel gemeenten deze taken niet zelfstandig kunnen uitvoeren, wordt veelal gekozen voor taakuitvoering door middel van aansluiting bij een gemeenschappelijke regeling (GR). Dit leidt al vanaf 2014 tot de vorming van nieuwe GR's waarbij de financiële belangen zeer fors zijn (bijvoorbeeld de nieuwe GR Jeugdhulp Rijnmond met een begrotingstotaal van € 256,0 mln). Zowel het voorkomen als het begeleiden van preventief toezicht vraagt om extra personele capaciteit. In dit kader verwachten we in de komende jaren een piek die later afvlakt, waarna vermoedelijk stabilisatie optreedt. Op grond hiervan is een incidentele formatie-uitbreiding van 2 fte voor de duur van 4 jaar nodig (€ 0,17 mln) en € 0,15 mln materieel budget voor de begrotingsscans.

Incidentele formatie uitbreiding Bestuurlijke Zaken (1 fte gedurende 4 jaar)

Provinciale Staten hebben in het voorjaar 2014 verzocht de intergemeentelijke samenwerking c.q. fusies tussen gemeenten intensiever te stimuleren, gelet op de grote en complexe opgaven waarvoor gemeenten gesteld staan (bijvoorbeeld economische ontwikkeling, decentralisaties). Deze actievere provinciale rol wordt ook door de gemeenten zelf gevraagd, aangezien velen erkennen dat de voortgang te vaak wordt belemmerd door bestuurlijke impasses. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland pakken dit op door middel van betere begeleiding van commissies, veel afstemmingen, beter betrekken van andere ‘keyplayers’ dan alleen het college van B&W, media volgen en daarop acteren/regisseren. Ook worden congressen en workshops georganiseerd en gefaciliteerd, bestuurlijke verkenners worden ingezet, stakeholderanalyses gemaakt en inhoudelijk geadviseerd. Deze intensivering zal naar verwachting aanhouden in de komende jaren en daarna weer afvlakken. Voor het realiseren van deze intensivering is tijdelijk 1 fte benodigd voor de duur van 4 jaar (€ 0,09 mln) en € 0,1 mln materieel budget voor het inzetten van bestuurlijke verkenners en stakeholderanalyses.

Structurele formatie-uitbreiding Rechtsbescherming en advocaat (1,5 fte)

De afgelopen jaren laten een structurele toename van het aantal juridische procedures zien. De instroom van bezwaarschriften en klachten is vanaf 2011 alleen maar toegenomen en ook bijvoorbeeld op het gebied van aanbestedingen worden meer procedures dan voorheen gevoerd. De toename van het aantal procedures laat zich verklaren door juridificering van de maatschappij en de daarmee gepaard gaande stijging van de procesbereidheid van bewoners, bedrijven en instellingen. Ook de economische crisis en de bezuinigingen hebben ertoe geleid dat er meer procedures worden aangespannen. Om het hoofd te kunnen bieden aan deze procedures is het noodzakelijk om de beschikbare juridische capaciteit die nodig is om deze zaken te behandelen, uit te breiden. Een kwalitatief goede en tijdige behandeling van de procedures kan anders niet worden gewaarborgd. Gelet hierop dient de capaciteit voor behandeling van bezwaarschriften en klachten uitgebreid te worden met 1 fte. Voor het behandelen van gerechtelijke procedures is eveneens capaciteit benodigd. Het betreft hier de aanstelling van een advocaat 'in loondienst' voor 0,5 fte. De afgelopen twee jaar is binnen de provinciale organisatie al ervaring opgedaan met een advocaat 'in loondienst'. De ervaringen hiermee zijn positief. Op verschillende onderdelen is deze wijze van interne dienstverlening een financieel voordelig en effectief goed alternatief gebleken voor externe inhuur van advocaatdiensten. Voor deze structurele formatie-uitbreiding is een bedrag van € 0,15 mln benodigd.

12. Overige

De overige bijstellingen (vanaf € 0,1 mln) betreffen:

  • Zuidplaspolder, overheveling budget van 2015 naar 2017 € 0,1 mln incidenteel

  • Opbrengsten precario/leges € 0,2 mln structureel

  • Kosten verkiezingen (ICT-voorzieningen en introductieprogramma) - € 0,3 mln incidenteel

Baten (medebewindsvoering)

De baten bedragen in totaal € 678 mln. Onderstaande diagram geeft de opbouw van de baten weer.

Specificatie baten Begroting 2015

Onderwerp

Bedrag

Percentage

1 opcenten MRB

€ 330 mln

49%

2 Provinciefonds

€ 148 mln

22%

3 Bijdragen derden

€ 164 mln

24%

4 Overige baten

€ 36 mln

5%

Totaal

678 mln

 

Ad. 1 opcenten MRB (€ 330 mln)

De opbrengst uit de provinciale belastingen (opcenten Motorrijtuigenbelasting ) zijn vrij besteedbaar. In de wet is deze belasting opgenomen als algemene belasting. Zie ook in dit hoofdstuk de paragraaf Financiële Ruimte, onderdeel 2.

Ad. 2 Provinciefonds (€ 148 mln)

Het Provinciefonds is via het zogeheten accres gekoppeld aan de ontwikkeling van de rijksuitgaven. De uitkeringen uit het Provinciefonds zijn niet juridisch beklemd. Het betreft algemene middelen, waarbij de provincies de vrijheid hebben om deze naar eigen keuze in te zetten. Dit geldt in principe ook voor de zogenaamde decentralisatie-uitkeringen. Deze uitkeringen hebben wel een relatie met een specifieke taak, maar het staat de provincies vrij om meer of minder geld dan de decentralisatie-uitkering te besteden aan de uitvoering van de taak.

In een aantal gevallen betreft de decentralisatie-uitkering incidentele middelen voor de uitvoering van een bepaald project waarbij ook andere partijen zijn betrokken en waarbij afspraken zijn gemaakt over de omvang van de inzet van de middelen. In die gevallen is er sprake van bestuurlijke of juridische beklemming.

Specificatie van de uitkering Provinciefonds (bedragen x € 1 mln)

Onderwerp

Bedrag

Meicirculaire 2014

 

Algemene uitkering

119,4

Decentralisatie-uitkeringen

26,3

Totaal Meicirculaire 2014

145,7

 

 

Behoedzaamheid (zie ook Budgettair kader, paragraaf Financiële ruimte, onderdeel 3)

-1,5

Bijdrage DLG (zie ook Budgettair kader, paragraaf Financiële ruimte, onderdeel 6)

3,3

Totaal Provinciefonds Begroting 2015

147,5

Overzicht decentralisatie-uitkeringen Meicirculaire 2014 (bedragen € 1 mln)

Onderwerp

Bedrag

Natuur (nieuw)

14,8

FES-gelden bedrijventerreinen

6,0

Monumentenzorg

3,0

Sterke regio's

2,3

Zwemwaterrichtlijn

0,2

Totaal decentralisatie-uitkeringen

26,3

Hieronder volgt een nadere toelichting op eventuele juridische beklemming van de budgetten die zijn gedekt uit de decentralisatie-uitkeringen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de decentralisatie-uitkeringen slechts een van de algemene dekkingsmiddelen is, naast bijvoorbeeld de algemene uitkering Provinciefonds en de inkomsten uit de opcenten Motorrijtuigenbelasting. De totale begroting is structureel in evenwicht, maar er is geen één op één relatie aan te geven tussen specifieke exploitatiebudgetten en de algemene dekkingsmiddelen.

Natuur

In het Natuurpact 2013 is de overdracht van taken en verantwoordelijkheden van Rijk naar provincie vastgelegd. Via de decentralisatie-uitkering ontvangt de provincie een bedrag voor het beheer en de aanleg van natuur. Vanwege een kasschuif is het bedrag in 2014 en 2015 verlaagd. In 2016 en 2017 wordt deze verlaging gecompenseerd met een extra uitkering. De bijdrage in 2015 wordt ingezet voor het natuurbeheer (inclusief N2000). Vanaf 2016 worden de middelen ook ingezet voor de aanleg van de Ecologische Hoofdstructuur.

FES-gelden bedrijventerreinen

Dit betreft FES-middelen bedrijventerreinen 2012-2015. Er zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de inzet van deze middelen voor Port Valley Stadshavens Rotterdam en Drechtsteden. Voor deze projecten zijn al meerjarige subsidies verstrekt, waarmee het volledige budget van de decentralisatie-uitkering juridisch beklemd is.

Sterke regio’s

Deze uitkering loopt af in 2016. De uitkering heeft betrekking op Coolport. Middelen van Coolport zijn toegewezen aan het project kwaliteitsnet goederenvervoer. Deze worden gebruikt als dekking voor het MPI en zijn in het geheel juridisch beklemd.

Zwemwaterrichtlijn

De wet ten aanzien van zwemwater is gewijzigd. Het Rijk verstrekt deze incidentele bijdrage (t/m 2015) om de wetswijziging door te voeren.

Monumentenzorg

De monumentenzorg wordt voor de helft (€ 1,5 mln) uitgevoerd binnen de erfgoedlijnen en voor de andere helft (€ 1,5 mln) buiten de erfgoedlijnen. Voor beide zijn subsidieregelingen en plafonds vastgesteld en op basis hiervan zijn beschikkingen opgesteld.

Ad. 3 Bijdragen derden (€ 164 mln)

Dit betreft hoofdzakelijk bijdragen van het Rijk voor specifieke doelen (€ 133,4 mln). Deze zijn juridisch beklemd. Doeluitkeringen dienen te worden besteed aan het desbetreffende doel. Als dat niet het geval is, bestaat er een terugbetalings­verplichting. Over de besteding wordt verantwoording afgelegd aan het Rijk, bijvoorbeeld door middel van de Verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen (SiSa) bij de jaarrekening.

Belangrijkste rijksbijdragen (> € 1 mln)

bedragen x € 1 mln

Bedrag

BDU

104,8

Ontwikkelopgave natuur

22,6

Project Mainport Rotterdam

3,6

Voordelta Maasvlakte 2

1,5

Doeluitkeringen waarvoor een terugbetalingsregeling bestaat worden, conform de uitgangspunten van het BBV, op de balans gereserveerd als ze in het jaar van de uitkering niet tot besteding komen. Dit zijn zogenaamde overlopende passiva (OVP).

De Brede Doeluitkering (BDU) 2015 bedraagt € 91,8 mln. Daarnaast wordt € 13,0 mln uit de overlopende passiva (OVP) onttrokken. Dit betreft in eerdere jaren ontvangen uitkeringen die in 2015 tot besteding komen.

De BDU kent een relatief deel en een absoluut deel. Voor de uitkering in 2015 is dit respectievelijk € 91,6 mln en € 0,2 mln. Het relatieve deel moet, conform de Wet BDU, worden besteed aan Verkeer en Vervoer. Binnen het doel verkeer en vervoer bestaat vrijheid voor nadere invulling. De in een bestedingsplan toegekende gelden die vrijvallen kunnen op deze manier een nieuwe bestemming krijgen binnen het doel verkeer en vervoer (art. 1.3 lid 5 uitvoeringsregeling BDU 2013). Het absolute deel van de BDU bestaat uit extra middelen die door het Rijk zijn toegekend voor de uitvoering van specifieke projecten. Als de besteding aan deze projecten lager uitvalt, dienen de middelen te worden terugbetaald. Ze mogen dus niet worden ingezet voor andere mobiliteitsprojecten. Dit is verder uitgewerkt in de op de Wet BDU gestoelde Uitvoeringsregeling BDU en het Bestedingsplan BDU. De BDU maakt onderdeel uit van de SiSa-verantwoording bij de jaarrekening.

Naast de rijksbijdragen, waaronder de BDU, zijn er ook overige juridisch beklemde bijdragen van derden (circa € 30,3 mln) waaronder bijdragen van gemeenten en EU-bijdragen. De grootste posten zijn:

  • € 10,0 mln inkomsten G.Z-H. Deze zijn juridisch beklemd op basis van dienstverleningsovereenkomsten met de natuur- en recreatieschappen.

  • € 13,0 mln bijdragen aan mobiliteitsprojecten en -activiteiten. Deze middelen zijn juridisch beklemd als gevolg van afspraken met derde partijen. Het gros van deze middelen is projectgebonden. Enkele voorbeelden van activiteiten die hieronder vallen zijn: regionaal overleg verkeersveiligheid, brugbediening, gladheidsbestrijding en exploitatie Waterbus.

Ad. 4 Overige baten (€ 37 mln)

Dit betreft hoofdzakelijk resultaten uit vermogen (onder andere bespaarde rente € 30,6 mln).

Omvang van de reservepositie

Ontwikkeling reservepositie

(bedragen x € 1 mln)

Saldo ultimo 2014*

Saldo ultimo 2015

Saldo ultimo 2016

Saldo ultimo 2017

Saldo ultimo 2018

Algemene reserve

69,6

69,6

69,6

69,6

69,6

Programmareserves

345,0

326,2

323,5

337,3

342,0

Totaal eigen vermogen

414,6

395,8

393,1

406,9

411,6

* Het saldo ultimo 2014 betreft de geprognosticeerde standen tot en met Najaarsnota 2014. In voorgaande jaren werd hier de stand tot en met de Voorjaarsnota gepresenteerd, omdat de Najaarsnota ten tijde van het opstellen van de begroting nog niet is vastgesteld. De standen tot en met Voorjaarsnota zijn: Algemene reserve € 65,5 mln en programmareserves € 353,4 mln.

De geprognosticeerde stand van de programmareserves per ultimo 2015 neemt ten opzichte van de stand tot en met Najaarsnota 2014 af met € 18,8 mln. Hieronder volgt een overzicht op onderwerp van de belangrijkste mutaties groter dan € 1,0 mln.

Belangrijkste mutaties programmareserves 2014-2015

Programma­reserve

Onderwerp

Ontrekking uit reserve

Storting in

reserve

Saldo

mutaties

1

Groen en Water

Groene ambities

2,5

0,2

-2,3

Sanering glastuinbouw

1,5

0

-1,5

Decentralisatieakkoord natuur

19,3

0

-19,3

Apparaatslaten DLG

3,7

4,6

0,9

IODS

4,1

0,4

-3,7

2

Mobiliteit en Milieu

Luchtkwaliteit NSL

1,2

1,2

-0,0

Dekking infra projecten < 1 mln DBI

2,0

0

-2,0

Egalisatiereserve exploitatie projecten MPI

17,7

17,5

-0,2

Reserve bereikbaarheid

0,5

30,9

30,4

Reserve kapitaallasten mobiliteit

8,8

0

-8,8

Egalisatieserve kapitaallasten Kaderbesluit Infra

2,1

0

-2,1

Egalisatieserve kapitaallasten nota IWA

0

3,2

3,2

3

Ruimte, Wonen en Economie

Meerjarenplan bodemsanering

2010-2014

3,1

0

-3,1

Bedrijventerreinen

0

1,3

1,3

Coolport middelen

3,1

2,3

-0,8

Greendeal Zonnepanelen-asbest

1,0

0

-1,0

InnovationQuarter (voorheen.ROM Zuidvleugel)

0

1,1

1,1

Project duurzame ontwikkeling Zuidplaspold

5,0

0

-5,0

IRP Oude Rijnzone

3,6

0

-3,6

4

Integrale Ruimtelijke Projecten

Bestrijding wachtlijsten in de jeugdzorg

1,0

0

-1,0

Restauratie rijksmonumenten en erfgoed

1,0

0

-1,0

6

Middelen

Frictiekosten algemeen

0,3

2,5

2,2

 

Overige mutaties < € 1 mln

Diverse onderwerpen

3,3

0,7

-2,6

 

 

Totaal

 

84,8

65,9

18,9

+ = toename geraamde stand reserve; - = afname geraamde stand reserve

In de periode vanaf 2014 tot en met 2018 neemt de omvang van de programmareserves per saldo af met € 3,0 mln. Deze daling wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de volgende mutaties:

Belangrijkste mutaties programmareserves vanaf 2014-2018

Programma­reserve

Onderwerp

Onttrekking uit reserve

Storting in

reserve

Saldo

mutaties

1

Groen en Water

Groene ambities

4,2

0,1

-4,1

Decentralisatieakkoord natuur

26,9

0

-26,9

Apparaatslaten DLG

14,0

14,3

0,3

IODS

13,5

0,5

-13,0

Subtotaal

58,6

14,9

-43,7

2

Mobiliteit en Milieu

Egalisatiereserve exploitatie projecten MPI

33,2

52,0

18,8

Reserve bereikbaarheid

waarvan a.g.v. ontwikkeling kapitaallasten

18,7

(0)

60,8

(37,6)

42,1

(37,6)

Reserve kapitaallasten mobiliteit

8,8

 

0

-8,8

Egalisatieserve kapitaallasten Kaderbesluit Infra

2,1

0

 

-2,1

Egalisatieserve kapitaallasten nota IWA

waarvan a.g.v. ontwikkeling kapitaallasten

0

 

 

(0)

 

29,4

 

 

(29,4)

 

29,4

 

 

(29,4)

Subtotaal

62,8

142,2

79,4

3

Ruimte, Wonen en Economie

Meerjarenplan Bodemsanering 2010-2014

3,1

 

-3,1

Bedrijventerreinen

3,7

2,1

-1,6

Coolport middelen

8,2

3,5

-4,7

Project duurzame ontwikkeling Zuidplaspolder

15,6

0

-15,6

IRP Oude Rijnzone

4,5

0

-4,5

Subtotaal

35,1

5,6

-29,5

 

Overige mutaties

< € 3 mln

Diverse onderwerpen

waarvan a.g.v. ontwikkeling kapitaallasten

16,4

 

(0)

7,2

 

(1,6)

-9,2

 

(1,6)

 

Subtotaal

16,4

7,2

-9,2

 

Totaal

 

172,9

169,9

-3,0

Bovenstaand overzicht toont de dalingen van de reserves in programma 1, programma 3 en het saldo van de programma’s 4, 5 en 6. Programma 2 kent een stijging van de programmareserve als gevolg van storting in de reserves met betrekking tot de toegenomen kapitaallasten.

EMU-saldo

Het EMU-saldo is het totaal aan inkomsten minus de uitgaven van de rijksoverheid, sociale fondsen en lokale overheden (onder andere gemeenten, provincies en waterschappen). Als er sprake is van een negatief EMU-saldo spreken we van een EMU-tekort.

Rijk en decentrale overheden hebben afgesproken dat decentrale overheden tezamen een EMU-tekort mogen hebben van 0,5% BBP. Het Rijk stelt (op voorstel van de decentrale overheden) vast wat het maximale aandeel hierin mag zijn van respectievelijk gemeenten, provincies en waterschappen. Vervolgens stelt het Rijk op basis hiervan per individuele decentrale overheid een referentiewaarde vast voor het maximaal toegestane EMU-tekort. Deze wordt jaarlijks geactualiseerd.

Voor 2015 geldt voor Zuid-Holland een referentiewaarde van - € 75,2 mln. In 2014 was nog sprake van een waarde van -€ 78,8 mln en in 2013 van -€ 45,0 mln.

In onderstaande tabel staan de meerjarige ontwikkelingen ten aanzien van het EMU-saldo weergegeven.

De realisatie over 2013 is afkomstig uit de jaarrekening. Voor de jaarschijf 2014 is de stand van de Begroting 2014 opgenomen. Dit is afwijkend ten opzichte van de presentatie in de Begroting 2014, toen is namelijk de stand van de Najaarsnota weergegeven. Het tussentijds berekenen van het EMU-saldo was in IPO-verband afgesproken. Begin 2014 is geconcludeerd dat deze stand sterk afweek van zowel de begrote als de gerealiseerde stand over 2013. Op dit moment worden door diverse provincies pilots uitgevoerd om te komen tot enerzijds een betere raming van het EMU-saldo en anderzijds tot een methode van monitoring van het saldo gedurende een begrotingsjaar. Het jaar 2015 is pilotjaar. Om deze reden is ervoor gekozen om in deze begroting voor de jaarschijf 2014 de begrote stand uit de Begroting 2014 op te nemen. De cijfers voor de jaren 2015 en 2016 zijn gebaseerd op de voorliggende (meerjaren)begroting.

EMU-saldo versus maximaal toegestane EMU-tekort (referentiewaarde)

(bedragen x € 1 mln)

Jaarrekening 2013

Begroting 2014

Begroting 2015

Raming 2016

EMU-saldo

-22,5

-161,8

-144,5

-115,8

Referentiewaarde 2015

-45,0

-78,8

-75,2

-75,2

Verschil

22,5

-83,0

-69,3

-40,6

EMU-tekort wordt aangegeven met een negatief bedrag (EMU-saldo)

Wet Houdbare Overheidsfinanciën (HOF)

Met ingang van 1 januari 2014 is de wet Houdbare Overheidsfinanciën (HOF) in werking getreden.

De wet regelt onder andere dat het Rijk maatregelen kan treffen als decentrale overheden tezamen de EMU-tekortnorm (die momenteel 0,5% BBP bedraagt) overschrijden en er meerjarig geen zicht is op verbetering. Bij maatregelen kan gedacht worden aan het faseren van investeringen of (als ultimum remedium) het korten van de algemene uitkering van het Gemeente- en/of Provinciefonds. Rijk en decentrale overheden hebben afgesproken dat er gedurende deze kabinetsperiode geen maatregelen zullen worden genomen bij een overschrijding van de norm. Daarnaast heeft de minister van Financiën in de Tweede en Eerste Kamer aangegeven dat de wet HOF niet ten koste zal gaan van investeringen door decentrale overheden.

Inleiding

In het budgettair kader wordt het financieel perspectief van de Begroting 2015 geactualiseerd. Er wordt ingegaan op de ontwikkeling van de algemene reserve. De begrotingswijzigingen die mutaties in de algemene reserve veroorzaken worden in dit hoofdstuk kort toegelicht. Daarnaast wordt op hoofdlijnen ingegaan op ontwikkeling van de programmareserves.

Voor een meer gedetailleerde toelichting op de begrotingswijzigingen wordt verwezen naar de financiële toelichtingen bij de programma's in het volgende hoofdstuk.

Ontwikkeling van de algemene reserve

Deze Voorjaarsnota sluit op een tekort van € 1,0 mln. De stand van de algemene reserve komt hiermee op € 83,0 mln. De minimale stand van de algemene reserve, conform de Beleidsnota Risicomanagement en weerstandsvermogen 2012, is € 30,0 mln.

 

Ontwikkeling algemene reserve

(bedragen x € 1 mln)

Bedrag

Stand per ultimo 2014

68,6

Toevoeging Begroting 2015

0,1

Rekeningresultaat 2014

28,8

Beklemd deel rekeningresultaat 2014

-13,5

Saldo Voorjaarsnota 2015

-1,0

Stand algemene reserve na Voorjaarsnota 2015

83,0

Effect van de Voorjaarsnota op de financiële ruimte

Bij dit onderdeel wordt ingegaan op het saldo van deze Voorjaarsnota. Het saldo wordt veroorzaakt door de begrotingswijzigingen die effect hebben op de financiële ruimte.

Om de lopende begroting sluitend te krijgen, wordt de financiële ruimte 2015 verrekend met de algemene reserve.

 

Mutaties financiële ruimte

(bedragen x € 1 mln)

Bedrag

Beklemd deel Jaarrekening 2014

-13,5

Dekking beklemd deel Jaarrekening 2014 (algemene reserve)

13,5

Exogene ontwikkelingen

-4,3

Overige ontwikkelingen/bijstellingen

3,3

Saldo Voorjaarsnota 2015

-1,0

 

Verwerking van het beklemde deel van het jaarrekeningresultaat 2014 ( € 13,5 mln nadelig)

Onderdeel van de integrale afweging bij Voorjaarsnota 2015 betreft het bestemmen van middelen waarvoor in 2014 of eerder wel juridische verplichtingen zijn aangegaan of bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, maar die nog niet tot uitvoering zijn gebracht. Om deze redenen is in de Jaarstukken 2014 gemeld dat € 13,5 mln van het rekeningresultaat 2014 al een bestemming heeft. In deze Voorjaarsnota worden de volgende middelen daarom weer toegevoegd aan de programmabudgetten.

 

Beklemd deel jaarrekeningresultaat 2014

(bedragen x € 1 mln)

Doel

Bedrag

 

Uitvoeringsprogramma Groen UPG

doel 1.3 t/m 1.5

1,5

Programma Aanpassing Stikstof PAS – N2000

doel 1.4

2,6

Saldo Mobiliteit exclusief apparaatslasten

doel 2.1 t/m 2.3

1,3

Bodemsanering, Meerjaren Werkprogramma Bodem

doel 3.3

4,5

Subsidieregelingen Beleidsvisie Regionale Economie en Energie 2012-2015

doel 3.4

0,3

Provinciefonds, Bodemsanering EMK-terrein Krimpen aan den IJssel

doel 6.1

0,5

Traineeprogramma

Bedrijfsvoering

1,1

Apparaatslasten mobiliteit

Diverse doelen

0,7

Apparaatslasten gedifferentieerd belonen

Bedrijfsvoering

1,0

Totaal

 

13,5

 

Exogene ontwikkelingen (€ 4,3 mln nadelig)

Exogene ontwikkelingen worden bepaald buiten de provincie. Deze ontwikkelingen zijn:

  1. Provinciefonds (€ 2,4 mln nadelig)

  2. Loonkosten (€ 1,6 mln nadelig)

  3. Dividend BNG (€ 0,3 mln nadelig)

 

a. Provinciefonds (€ 2,4 mln nadelig)

De raming in de Begroting 2015 is gebaseerd op de Meicirculaire 2014. Uit de September- en Decembercirculaire 2014 blijkt dat het accres afneemt met € 2,4 mln door een lagere loon- en prijsontwikkeling op de rijksbegroting.

 

b. Loonkosten (€ 1,6 mln nadelig)

Na het opstellen van de Begroting 2015 zijn er ontwikkelingen geweest die leiden tot een toename van de loonkosten. Zo hebben het IPO en de bonden op 6 oktober 2014 een onderhandelingsresultaat bereikt voor een nieuwe provinciale cao. Daarnaast is per 1 januari 2015 een aantal wijzigingen aangebracht in de werkgeverspremies. CAO-lonen en werkgeverspremies samen vormen de totale loonkosten.

Het onderhandelingsakkoord voor de nieuwe cao voor de provincies heeft geresulteerd in een structurele loonsverhoging van 2% per 1 januari 2015 en 1% per 1 juli 2015, exclusief bijhorende werkgeverslasten. Daarnaast zijn enkele percentages van werkgeverspremies verlaagd. De totale toename van de loonkosten bedraagt in 2015 € 2,4 mln en per 2016 € 2,9 mln.

In de begroting is een reservering ter grootte van € 1,0 mln opgenomen voor onvoorziene prijsstijgingen (behoedzaamheidsmarge). Dit bedrag wordt ingezet ter dekking van de stijging van de loonkosten. Het resterende benodigde bedrag van € 1,4 mln in 2015 en € 1,9 mln vanaf 2016 wordt ten laste van de financiële ruimte gebracht.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet van kracht. Deze wet regelt onder andere het vergroten van de arbeidsparticipatie van bepaalde groepen mensen die als gevolg van een arbeidsbeperking moeilijk aan het werk komen. Het betreft voornamelijk mensen met een Wajong-uitkering met arbeidsvermogen.

In dat kader heeft de provincie Zuid-Holland toegezegd in 2015 7 banen te creëren voor de doelgroep (één baan is 25,5 verloonde uren per week) ter grootte van € 0,2 mln.

 

c. Dividend BNG (€ 0,3 mln nadelig)

Op basis van de resultaten van de BNG-bank over 2014 zijn ten opzichte van 2013 de dividendopbrengsten ongeveer gehalveerd. De raming voor dividendopbrengsten deelnemingen is daarom voor 2015 incidenteel verlaagd met € 0,3 mln.

 

Overige ontwikkelingen/bijstellingen (€ 3,3 mln voordelig)

Er is sprake van een € 3,3 mln voordelig verschil dat is veroorzaakt door de volgende beleidsarme budgettaire bijstellingen.

 

Overige ontwikkelingen/bijstellingen

(bedragen x € 1 mln)

Doel

Bedrag

PAS Natuur

doel 1.4

-2,7

Strategische huisvestingsvisie

Bedrijfsvoering

-0,7

Facilitaire zaken

Bedrijfsvoering

-0,2

Jeugdzorg

doel 4.3

5,8

Kapitaallasten

divers

1,1

Totaal

 

3,3

 

PAS Natuur (€ 2,7 mln nadelig)

In de Decembercirculaire Provinciefonds 2014 heeft PZH € 2,7 mln extra aan decentralisatie-uitkering natuur ontvangen, bedoeld voor het oplossen van emissieknelpunten gericht op het mogelijk maken van de Tweede Maasvlakte (€ 1,5 mln) en de ontwikkeling van nieuwe ammoniak reducerende maatregelen voor het veenweidegebied (€ 1,2 mln). De middelen zijn in 2014 ontvangen en worden nu beschikbaar gesteld voor deze doelen in programma 1.

De overige bijstellingen zijn vooral technisch van aard. Voor een toelichting wordt verwezen naar de desbetreffende onderdelen in deze Voorjaarsnota.

Bijstelling van de geraamde mutaties in de programmareserves

Binnen de programmareserves wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende onderwerpen. In deze Voorjaarsnota zijn geen nieuwe programmareserves ingesteld. Het aantal onderwerpen waarvoor middelen wordt gereserveerd, is uitgebreid met één. Het betreft het onderwerp omgevingsveiligheid in Programmareserve 2. De geraamde storting en onttrekking bedraagt € 14,7 mln. Het betreft middelen die via de Decembercirculaire 2014 van het Rijk zijn ontvangen. De middelen zijn bedoeld om namens alle decentrale overheden het landelijk secretariaat voor de Impuls Omgevingsveiligheid 2015-2018 te voeren. Dit is een programma waarin Rijk, provincies, gemeenten en veiligheidsregio's gezamenlijk gerichte acties ondernemen om de veiligheid in Nederland te vergroten.

Het totaal aan gereserveerde middelen in de programmareserves neemt per saldo toe met € 0,4 mln. Voor een nadere toelichting van de bijstellingen in de reserves wordt verwezen naar de toelichtingen bij de programma's. Hieronder volgt een samenvattend overzicht van de mutaties per onderwerp.

 
Programmareserves, wijzigingen in geraamde stortingen en onttrekkingen per onderwerp.

Programmareserve

Doel

Onderwerp

Onttrekking uit reserve

Storting in reserve

Saldo

 

Programmareserve 1

1.2

Raingain

0,1

0,0

-0,1

 

1.3

Decentralisatieakkoord natuur

-0,2

0,0

0,2

   

Groene ambities (ILG-niet ILG doelen)

0,0

0,0

0,0

   

Visiebeheer

0,0

0,0

0,0

 

1.4

Beheerplannen Natura 2000

0,0

4,9

4,9

   

Decentralisatieakkoord natuur

0,4

0,0

-0,4

   

Groene ambities (ILG-niet ILG doelen)

-0,2

0,0

0,2

   

Reserve apparaatslasten DLG

0,0

-0,2

-0,2

 

1.5

IODS

-1,3

0,0

1,3

   

Sanering glastuinbouw

0,0

0,0

0,0

 

3.1

Sanering glastuinbouw

-1,3

0,0

1,3

 

6.1

Reserve apparaatslasten DLG

0,0

-0,5

-0,5

 

7.1

Reserve apparaatslasten DLG

-0,8

0,0

0,8

Programmareserve 2

1.3

1%-regeling Kunst

0,0

0,0

0,0

 

2.1

Egalisatiereserve exploitatieprojecten MPI

-0,9

0,0

0,9

   

Reserve bereikbaarheid

0,2

1,2

1,0

 

2.2

Egalisatie kapitaallasten nota IWA

0,0

4,7

4,7

   

Egalisatiereserve exploitatieprojecten MPI

1,0

-1,0

-1,9

   

Reserve bereikbaarheid

0,0

2,0

2,0

 

2.3

Reserve bereikbaarheid

1,5

0,0

-1,5

 

2.4

Luchtkwaliteit (NSL)

2,4

0,0

-2,4

   

Reserve Omgevingsveiligheid

14,7

14,7

0,0

   

Stimuleren van duurzame energie

0,2

0

-0,2

Programmareserve 3

2.2

Coolport middelen

-2,2

0,0

2,2

 

3.3

Meerjarenplan Bodemsanering 2010-2014

8,4

5,2

-3,2

 

3.4

Bedrijventerreinen

0,0

0,4

0,4

   

Economische agenda Zuidvleugel

3,5

0,0

-3,5

 

3.5

Greendeal Zonnepanelen-asbest

-0,8

0,0

0,8

   

Mitigatie/Energie

0,6

0,0

-0,6

Programmareserve 4

4.5

Restauratie rijksmonumenten en erfgoed

1,3

0,0

-1,3

Programmareserve 5

5.5

IRP Goeree-Overflakkee

0,5

0,0

-0,5

Programmareserve 6

1.3

2012 DP RodS projecten

0,8

0,0

-0,8

 

2.2

2014 DP Verbetering procedure/financieel inzicht Mobiliteit

0,4

0,0

-0,4

 

3.4

2014 DP Clusterregeling Z-H

0,6

0,0

-0,6

 

4.1

2014 DP Bestuurlijke samenwerking

0,1

0,0

-0,1

 

4.5

2014 DP Brandveiligheid depot archeologie

0,1

0,0

-0,1

 

6.1

2014 DP Inzicht en benchmarking

0,4

0,0

-0,4

   

Frictiekosten algemeen

1,4

0,0

-1,4

Totaal

30,9

31,3

0,4

Een + in de kolom onttrekking uit de reserve betekent dat er meer aan de reserve wordt onttrokken dan geraamd.

Een - in de kolom onttrekking uit reserve betekent dat de geraamde onttrekking aan de reserve wordt verlaagd.